Uitspraak
Onderzoek van de zaak
Vonnis waarvan beroep
Oplegging van straf
Toepasselijke wettelijke voorschriften
BESLISSING
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) maanden.
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Gerechtshof Amsterdam
De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor bedrieglijke bankbreuk vanwege het niet voeren, bewaren en overleggen van een volledige en deugdelijke administratie aan de curator, en het niet voldoen aan zijn inlichtingenplicht jegens de curator. Hij had zich als katvanger laten inschrijven als bestuurder van een vennootschap met schulden, zonder daadwerkelijke activiteiten te verrichten.
In hoger beroep bevestigde het hof de bewezenverklaring van het feit, maar vernietigde de opgelegde straf. Het hof overwoog dat het handelen van de verdachte schuldeisers heeft benadeeld doordat de curator geen deugdelijk onderzoek kon doen naar de oorzaak van het faillissement. Daarnaast had de verdachte mogelijk gemaakt dat anderen die verantwoordelijk waren voor de schulden buiten beeld bleven.
Gelet op het strafblad van de verdachte, waarin eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten en overtredingen van de Opiumwet stonden, achtte het hof in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. Vanwege de persoonlijke en fysieke omstandigheden van de verdachte legde het hof echter een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden op met een proeftijd van twee jaar.
Het hof constateerde een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep en verminderde daarom de straf met één maand ten opzichte van de door het Openbaar Ministerie gevorderde vier maanden. Het vonnis werd verder bevestigd, behalve de strafoplegging die werd aangepast.
Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaar.