Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2023:1532

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
3 juli 2023
Publicatiedatum
4 juli 2023
Zaaknummer
23-002745-22
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep mishandeling politieambtenaar met houten vleeshamer

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de politierechter vernietigd en opnieuw recht gedaan. Het OM werd niet-ontvankelijk verklaard voor het hoger beroep tegen de vrijspraken en de primaire tenlasteleggingen. Het hof achtte bewezen dat verdachte op 26 januari 2021 te Julianadorp een politieambtenaar heeft mishandeld door met een houten vleeshamer tegen diens hoofd te slaan.

De mishandeling vond plaats in een periode waarin de samenleving zwaar onder druk stond door de coronapandemie. Het hof benadrukte het belang van bescherming van de openbare orde en de beroepsgroep die deze handhaaft. Hoewel de advocaat-generaal een hogere taakstraf had gevorderd, hield het hof rekening met de zorgelijke gezondheidstoestand van verdachte en de bijzondere omstandigheden van het feit.

Het hof legde daarom dezelfde straf op als de politierechter: een geheel voorwaardelijke taakstraf van 60 uur met een proeftijd van één jaar. Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan het slachtoffer van €350, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van het feit. De vordering van de benadeelde partij werd daarmee deels toegewezen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf van 60 uur en betaling van €350 immateriële schadevergoeding aan het slachtoffer.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002745-22
datum uitspraak: 3 juli 2023
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 10 oktober 2022 in de strafzaak onder parketnummer 15-300399-21 tegen
[verdachte01],
geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01] 1978,
adres: [adres01] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
19 juni 2023.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis waarbij de verdachte voor het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde is vrijgesproken.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte, zijn raadsman en de gemachtigde van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in het hoger beroep

Het openbaar ministerie heeft het hof beroep blijkens de akte rechtsmiddel van 19 oktober 2022 onbeperkt ingesteld. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal te kennen gegeven dat het hoger beroep zich uitsluitend richt tegen de hoogte van de opgelegde straf voor het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde en niet ziet op de vrijspraken en de bewezenverklaring van feit 1 subsidiair. Daaruit leidt het hof af dat het openbaar ministerie tegen die vrijspraken geen bezwaren heeft. Nu ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig nader onderzoek ter zake van die feiten, zal de officier van justitie, gelet op het bepaalde in artikel 416 lid 3 van Pro het Wetboek van Strafvordering, ten aanzien van de feiten waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken, niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover in hoger beroep inhoudelijk nog aan de orde – tenlastegelegd dat:
1. subsidiairhij op of omstreeks 26 januari 2021 te Julianadorp, gemeente Den Helder, [benadeelde partij01] heeft mishandeld door eenmaal of meermalen met een houten vleeshamer in de richting van/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [benadeelde partij01] te slaan.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep, voor zover in hoger beroep inhoudelijk nog aan de orde, zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 26 januari 2021 te Julianadorp, gemeente Den Helder, [benadeelde partij01] heeft mishandeld door met een houten vleeshamer tegen het hoofd van [benadeelde partij01] te slaan.
Hetgeen onder 1 subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 subsidiair bewezenverklaarde veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis, met een proeftijd van één jaar en met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis waarvan 40 uren subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar en met aftrek van voorarrest.
De raadsman heeft het hof in het kader van de strafmaat primair verzocht om de verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf of maatregel en subsidiair om aan de verdachte – conform de beslissing van de politierechter – een geheel voorwaardelijke taakstraf op te leggen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van een politieambtenaar door met een houten vleeshamer tegen zijn hoofd te slaan. Het is onacceptabel dat iemand in een tijd waarin de samenleving zwaar onder druk stond door een heersende coronapandemie dergelijk provocerend en ondermijnend gedrag ten toon spreidt. De maatschappij als geheel en met name de beroepsgroep belast met de handhaving van de openbare orde verdienen bescherming tegen dergelijk gedrag. Het voorgaande rechtvaardigt in beginsel de oplegging van een taakstraf zoals door de advocaat-generaal is gevorderd.
Het hof houdt evenwel in strafmatigende zin rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte – in het bijzonder zijn zorgelijke gezondheidstoestand – alsmede de (bijzondere) omstandigheden waaronder de verdachte de mishandeling heeft gepleegd, zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep door de verdachte en diens raadsman naar voren zijn gebracht.
Het hof is van oordeel dat – gelet op de ernst van het feit – niet kan worden volstaan met schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel, zoals door de raadsman is voorgesteld, maar is tevens van oordeel dat de door de advocaat-generaal gevorderde straf te hoog is. Het hof zal, alles afwegende, aan de verdachte dezelfde straf opleggen als door de rechter in eerste aanleg is opgelegd.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij01]

De benadeelde partij [benadeelde partij01] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van immateriële schade. Deze bedraagt € 940,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de vordering tot een bedrag van € 150,00 moet worden toegewezen.
Het standpunt van de verdediging is dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt vast dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van de mishandeling rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Het hof zal de omvang van deze schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW Pro naar billijkheid schatten op € 350,00, waarbij is gelet op het fysieke letsel dat de benadeelde partij heeft overgehouden aan de mishandeling, bestaande uit letsel aan zijn hoofd en pink, alsook op de vergoedingen die in soortgelijke gevallen zijn toegekend. Daarnaast is bij de vaststelling van de hoogte van de immateriële schade naar billijkheid rekening gehouden met enige mate van eigen schuld aan de kant van de benadeelde partij. Uit de camerabeelden komt naar voren dat de benadeelde partij in zijn functie van politieambtenaar in de gegeven omstandigheden meer de-escalerend had kunnen en moeten optreden.
De verdachte is tot vergoeding van de hierboven weergegeven schade ter hoogte van € 350,00 gehouden, te vermeerderen met de wettelijke rente. Om te bevorderen dat die schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover in hoger beroep inhoudelijk nog aan de orde, en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
30 (dertig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
1 (één) jaaraan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij01]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij01] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd
[benadeelde partij01] , ter zake van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 7 (zeven) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 26 januari 2021.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. Stalenhoef, mr. J.W.P. van Heusden en mr. N.R.A. Meerbeek, in tegenwoordigheid van mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
3 juli 2023.
De voorzitter is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.