ECLI:NL:GHAMS:2023:1577

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
20 juni 2023
Publicatiedatum
5 juli 2023
Zaaknummer
23-002694-22
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 57 SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep mishandeling minderjarige kinderen met voorwerpen en handen

In hoger beroep is het vonnis van de politierechter vernietigd en is opnieuw recht gedaan. Het hof verklaarde bewezen dat verdachte zijn twee minderjarige kinderen in november 2021 meermalen heeft mishandeld met onder meer een stok, schoenlepel, riem, slipper, de vlakke hand en vuist. De mishandeling vond plaats op het hoofd en lichaam van de kinderen.

De verklaringen van de aangevers en getuigen werden als betrouwbaar beoordeeld, mede door de overeenstemming en de waargenomen blauwe plek bij een van de kinderen. De verdediging stelde dat de verklaringen onbetrouwbaar waren en vroeg om hernieuwde getuigenverhoren, maar dit verzoek werd afgewezen omdat de getuigen reeds waren gehoord en er geen nieuwe feiten waren.

Het hof verklaarde het tenlastegelegde betreffende belediging niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van een klacht van een wettige vertegenwoordiger. De strafoplegging bestond uit een taakstraf van 20 uur, met een substituut van 10 dagen hechtenis, rekening houdend met de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De tijd in voorlopige hechtenis wordt in mindering gebracht volgens de wettelijke maatstaf.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 20 uur met 10 dagen hechtenis substituut voor mishandeling van zijn minderjarige kinderen.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002694-22
datum uitspraak: 20 juni 2023
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 30 september 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-307860-21 tegen
[verdachte01],
geboren te [geboorteplaats01] ( [geboorteland01] ) op [geboortedatum01] 1972,
adres: [adres01] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 juni 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 november 2021 t/m 12 november 2021 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) zijn kind(eren), [slachtoffer01] en/of [slachtoffer02] , heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer01] en/of [slachtoffer02] meermalen, althans eenmaal, met een voorwerp (o.a. een stok, schoen(lepel), riem en/of slipper) en/of met de vlakke hand en/of met de vuist in/op/tegen het gezicht, het hoofd en/of het lichaam te slaan/stompen/stoten;
2.
hij op of omstreeks 12 november 2021 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer01] en/of [slachtoffer02] , in haar/hun tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door voornoemde [slachtoffer01] en/of [slachtoffer02] in/op/tegen het gezicht, althans op/tegen het lichaam, te spugen;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Op grond van artikel 269, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) wordt belediging in beginsel niet vervolgd dan op klacht van hem of haar tegen wie het misdrijf is gepleegd. Indien diegene tegen wie het misdrijf is gepleegd nog niet de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, geschiedt de klacht op grond van artikel 65, eerste lid, Sr door zijn of haar wettige vertegenwoordiger.
Nu de aangeefsters van de onder 2 tenlastegelegde beledigingen ten tijde van het doen van de klacht nog niet de leeftijd van zestien jaren hadden bereikt, het dossier geen klacht van een wettige vertegenwoordiger bevat en ook recent niet is gebleken van informatie waaruit blijkt dat de aangeefsters, die inmiddels wel de leeftijd van zestien jaren hebben bereikt, vervolging van de verdachte wensen, zal het hof het openbaar ministerie ten aanzien van dat feit niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde moet worden vrijgesproken, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de door de aangevers en getuigen afgelegde verklaringen als onbetrouwbaar terzijde moeten worden geschoven en derhalve niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt.
Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Het hof is van oordeel dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken van enige aanleiding voor twijfel aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van aangevers [slachtoffer01] en [slachtoffer02] , noch van die van de getuigen [getuige01] en [getuige02] . Naast het feit dat zij een gedetailleerde en inhoudelijk met elkaar op de wezenlijke onderdelen overeenkomende verklaring hebben afgelegd en zij deze verklaringen bij de rechter-commissaris in de kern hebben bevestigd, vinden die verklaringen steun in de bij [slachtoffer02] waargenomen blauwe plek op haar been. Het hof slaat in dit kader ook acht op de omstandigheid dat [slachtoffer01] en [slachtoffer02] en [getuige02] op de politieagenten ter plaatse zeer angstig overkwamen. Van een concrete indicatie voor onderlinge afstemming van de verklaringen is in het geheel niet gebleken. Daarbij weegt mee dat de eerste verklaringen vrijwel direct na komst van de politie ten overstaan van verschillende politieagenten zijn afgelegd. De suggestie van de verdediging dat de vermeende afstemming van verklaringen is ingegeven door de situatie rond de verblijfsvergunning van aangevers en getuigen vindt geen onderbouwing in het dossier of het verhandelde ter zitting maar wordt bijvoorbeeld door getuige [getuige01] ten overstaan van de rechter-commissaris juist met zoveel woorden tegen gesproken.
Het hof zal de voornoemde verklaringen dan ook voor het bewijs gebruiken, zodat naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van zijn kinderen [slachtoffer01] en [slachtoffer02] .
Voorwaardelijk verzoek
De raadsman heeft, indien de verklaringen wel als betrouwbaar zouden worden aangemerkt, verzocht [slachtoffer01] , [slachtoffer02] en [getuige01] en [getuige02] nogmaals als getuigen te doen horen.
Het hof overweegt als volgt.
De door de raadsman voorwaardelijk verzochte getuigen zijn reeds in aanwezigheid van de raadsman gehoord door de rechter-commissaris. Tijdens die verhoren zijn aan hen ook vragen gesteld over het verkrijgen van een verblijfsvergunning in Nederland en de verdediging heeft aldus de om die reden door de verdediging betwiste betrouwbaarheid van de getuigen reeds kunnen toetsen. Na afloop van die verhoren is door de raadsman een brief overgelegd, waarin door [slachtoffer01] en [slachtoffer02] is geschreven dat zij boos waren toen ze aangifte deden en die willen intrekken, omdat zij niet willen dat de verdachte naar de gevangenis gaat.
Het hof acht het, mede in het licht van het hiervoor ten aanzien van de betrouwbaarheid van deze verklaringen overwogene, niet noodzakelijk om [slachtoffer01] , [slachtoffer02] , [getuige01] of [getuige02] nogmaals als getuige te horen. De verdediging is immers reeds in de gelegenheid gesteld om de verzochte getuigen over het verkrijgen van een verblijfsvergunning te bevragen en uit de voornoemde brief blijkt ook niet dat [slachtoffer01] en [slachtoffer02] opnieuw of anders omtrent de feiten willen verklaren of dat de eerder afgelegde verklaringen niet waarheidsgetrouw zijn, maar alleen dat zij hun aangiften willen intrekken omdat ze niet wensen dat hun vader naar de gevangenis gaat. Het voorwaardelijk verzoek wordt dan ook afgewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij in de periode van 6 november 2021 t/m 9 november 2021 te Amsterdam, telkens zijn kinderen, [slachtoffer01] en [slachtoffer02] , heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer01] en [slachtoffer02] meermalen met een voorwerp en met de vlakke hand en met de vuist in/op/tegen het hoofd en het lichaam te slaan/stompen/stoten.
Hetgeen onder 1 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
mishandeling, begaan tegen zijn kind, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het bepaalde in artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en, gelet hierop, te volstaan met toepassing van artikel 9a Sr of een geheel voorwaardelijke straf.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich in een periode van een aantal dagen meermalen schuldig gemaakt aan de mishandeling van zijn twee dochters door hen, ook met een voorwerp, te slaan. Het op deze wijze door een vader inbreuk maken op de lichamelijke integriteit van zijn minderjarige dochters is een zeer ernstig feit. Ouders horen te allen tijde een veilige haven te zijn voor kinderen en zeker geen bron van angst of agressie. Het op deze wijze beschamen van vertrouwen dat kinderen altijd in hun ouders moeten kunnen hebben kan ook op de langere termijn schadelijke effecten op kinderen hebben. De verdachte heeft zich kennelijk enkel door zijn eigen emoties en frustraties laten leiden en is daarmee veel te ver gegaan.
Het hof is van oordeel, met name gelet op het feit dat het meerdere incidenten in een periode ten aanzien van twee kinderen betreffen en dus bijvoorbeeld niet om een eenmalige uitbarsting, dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan de door de politierechter opgelegde onvoorwaardelijke taakstraf. De politierechter heeft deze straf weliswaar óók opgelegd ter zake van een ander feit, maar het hof acht dat feit niet dusdanig bepalend voor de duur van de taakstraf dat de beslissing ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie tot een lagere straf zou moeten leiden. De persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het bepaalde in artikel 63 Sr Pro geven evenmin aanleiding tot een ander oordeel.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 57, 63, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het onder 2 tenlastegelegde niet-ontvankelijk in de vervolging.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
10 (tien) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.S. Ludwig, mr. N. van der Wijngaart en mr. D. Greven, in tegenwoordigheid van
mr. L. van Dijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
20 juni 2023.
Mr. D. Greven en mr. L. van Dijk zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]