ECLI:NL:GHAMS:2023:168
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Beëindiging gezamenlijk gezag en geen omgang tussen vader en minderjarige
Het geschil betreft het verzoek van de moeder om het gezamenlijk gezag over haar minderjarige zoon te beëindigen en haar eenhoofdig gezag toe te kennen, alsmede om de omgangsregeling tussen vader en kind te beëindigen. De rechtbank had deze verzoeken afgewezen, maar het hof vernietigt deze beslissing.
De minderjarige, geboren in 2010, heeft een licht verstandelijke beperking en volgt speciaal onderwijs. De ouders zijn sinds 2018 gescheiden en oefenden gezamenlijk gezag uit. De omgang tussen vader en kind verliep moeizaam, met frequente niet-nakoming van afspraken door de vader, wat leidde tot teleurstelling en angst bij het kind. De ondertoezichtstelling van het kind is inmiddels beëindigd.
Het hof oordeelt dat het gezamenlijk gezag niet langer in het belang van het kind is vanwege de verstoorde communicatie en het gebrek aan betrokkenheid van de vader. Het opleggen van omgang zou ernstig nadeel opleveren voor de geestelijke ontwikkeling van het kind. Daarom wordt het gezamenlijk gezag beëindigd en wordt de moeder het eenhoofdig gezag toegekend, terwijl omgang en contact tussen vader en kind worden uitgesloten. De moeder zal contact niet belemmeren indien het kind dit in de toekomst wenst.
Uitkomst: Het gezamenlijk gezag wordt beëindigd, de moeder krijgt eenhoofdig gezag en omgang tussen vader en kind wordt uitgesloten.