Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
;
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in hoger beroep gekomen tegen eerdere beschikkingen inzake kinderalimentatie voor hun minderjarige kind. De man verzoekt om verlaging van de alimentatie met terugwerkende kracht vanaf 2016, terwijl de vrouw een verhoging nastreeft vanaf 2022. Het hof stelt vast dat de behoefteberekening in eerdere beschikkingen gebaseerd was op een te hoog inkomen van de man, mede door een uitzonderlijk jaar 2015.
Het hof bepaalt dat de wijziging van de kinderalimentatie met terugwerkende kracht slechts kan ingaan vanaf de datum van indiening van het verzoek bij de rechtbank, 4 januari 2022, vanwege de belangen van de vrouw. De draagkracht van de man wordt vastgesteld op €475 per maand, rekening houdend met kosten voor zijn dochters, terwijl de draagkracht van de vrouw wordt vastgesteld op €365 per maand voor het kind.
Gezien de gezamenlijke draagkracht van partijen die de behoefte overstijgt, wordt de kinderalimentatie vastgesteld op €320 per maand met ingang van 4 januari 2022. Het hof wijst het verzoek van de vrouw tot verhoging af en staat toe dat de man het teveel betaalde bedrag met wettelijke rente in maandelijkse termijnen van €100 mag verrekenen. De beschikking van de rechtbank en het hof uit 2017 en 2018 worden vernietigd en vervangen door deze nieuwe regeling.
Uitkomst: De kinderalimentatie wordt met ingang van 4 januari 2022 vastgesteld op €320 per maand met verrekening van te veel betaalde bedragen toegestaan.