Op 8 oktober 2021 heeft de verdachte te Amsterdam de overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 begaan. De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft op 21 juli 2022 een vonnis gewezen tegen de verdachte. Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam.
Het hof heeft het vonnis van de politierechter vernietigd en doet opnieuw recht. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken, waarvan één week voorwaardelijk is opgelegd. De voorwaardelijke straf heeft een proeftijd van twee jaar. Dit betekent dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de verdachte zich binnen die proeftijd aan een nieuw strafbaar feit schuldig maakt.
De wettelijke grondslagen die het hof toepast zijn onder meer de artikelen 14a, 14b, 14c en 63 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede de artikelen 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994. Het vonnis is gewezen door mr. M.L.M. van der Voet in aanwezigheid van griffier C. van der Laan.