ECLI:NL:GHAMS:2023:181

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
31 januari 2023
Publicatiedatum
31 januari 2023
Zaaknummer
200.301.617/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 RvArt. 222 RvArt. 386 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing tenuitvoerlegging arrest tijdens behandeling vordering tot herroeping

In deze civiele procedure vordert appellant herroeping van een eerder arrest waarin hij is veroordeeld tot betaling van een geldsom aan Rabobank. Tijdens de behandeling van deze vordering vraagt appellant ook om schorsing van de tenuitvoerlegging van het arrest en het onderliggende vonnis.

Het hof beoordeelt de incidentele vorderingen tot schorsing en toetst deze aan de vereisten van artikel 223 Rv Pro. Het hof constateert dat appellant belang heeft bij schorsing omdat Rabobank beslag heeft gelegd op zijn commerciële grond, waardoor het risico bestaat dat deze geveild wordt en appellant onherstelbare schade lijdt.

Na belangenafweging oordeelt het hof dat de vordering tot schorsing in één van de zaken wordt afgewezen, omdat appellant geen belang heeft bij beide vrijwel gelijkluidende vorderingen. De andere vordering wordt toegewezen omdat het belang van appellant bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan het belang van Rabobank bij voortzetting van de tenuitvoerlegging, mede omdat Rabobank op dit moment geen incassomaatregelen neemt.

De beslissing over de proceskosten wordt aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak. De hoofdzaak wordt verwezen naar een rolzitting voor het nemen van een memorie van antwoord door Rabobank. Alle verdere beslissingen worden aangehouden.

Uitkomst: Het hof wijst de schorsing van de tenuitvoerlegging toe in één zaak en wijst de andere af, met aanhouding van kostenbeslissing en verwijzing van de hoofdzaak.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummers : 200.301.617/01 en 200.305.991/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/273168 / HA ZA 18-274
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 31 januari 2023
inzake
zaaknummers 200.301.617/01 en 200.305.991/01:
[appellant],
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
verzoeker in het incident ex art. 223 Rv Pro,
verweerder in het incident ex art. 222 Rv Pro,
advocaat: mr. P.H.J. Körver te 's-Gravenhage,
tegen
COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,
verweerder in het incident ex art. 223 Rv Pro,
verzoeker in het incident ex art. 222 Rv Pro,
advocaat: mr. R.W. Karskens te Utrecht.
Partijen worden hierna [appellant] en Rabobank genoemd.

1.Het verloop van het geding

In zaak 200.301.617/01 heeft [appellant] bij met de dagvaarding van 15 oktober 2021 overeenstemmende conclusie van eis herroeping gevorderd van het door het hof op 20 april 2021 onder zaaknummer 200.260.503/01 gewezen arrest (hierna: het arrest) tussen [appellant] als appellant en Rabobank als geïntimeerde. Daarbij heeft [appellant] een incidentele vordering ingediend waarin wordt gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad, schorsing van de tenuitvoerlegging van het arrest te bevelen, met beslissing over de proceskosten in het incident.
In zaak 200.305.991/01 heeft [appellant] bij met de dagvaarding van 14 januari 2022 overeenstemmende conclusie van eis herroeping gevorderd van het op 20 april 2021 onder zaaknummer 200.260.503/01 gewezen arrest. Daarbij heeft [appellant] een incidentele vordering ingesteld waarin wordt gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad, schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 20 februari 2019 van de rechtbank Noord-Holland met zaak-/rolnummer C/15/273168/ HA ZA 18-274 (hierna: het vonnis) en het arrest te bevelen, met beslissing over de proceskosten in het incident.
Rabobank heeft voor antwoord geconcludeerd in de door [appellant] opgeworpen incidenten. Zij refereert zich aan het oordeel van het hof. In zaak 200.305.991/01 heeft zij een incidentele vordering strekkende tot voeging met zaak 200.301.617/01 (hoofdzaak en incident) ingesteld.
In het incident ex art. 222 Rv Pro heeft [appellant] , naar het hof begrijpt, geconcludeerd tot referte met veroordeling van de Rabobank in de kosten van het incident.
Vervolgens is arrest gevraagd in de incidenten.

2.Beoordeling in de incidenten

2.1.
In de hoofdzaak in beide zaken vordert [appellant] herroeping van het arrest, waarin het bestreden vonnis is bekrachtigd. In het bestreden vonnis is [appellant] veroordeeld tot betaling van € 429.524,79 met wettelijke rente, beslagkosten en proceskosten.
2.2.
Aan de vereisten voor toewijzing van de incidentele vordering tot voeging is voldaan. Deze incidentele vordering zal dus worden toegewezen.
2.3
Een vordering tot herroeping heeft geen schorsende werking. De rechter die over de herroeping oordeelt, kan, desgevorderd, bij voorlopige voorziening de tenuitvoerlegging schorsen (art. 386 Rv Pro). [appellant] heeft deze schorsing gevorderd in de vorm van een incidentele vordering. Op grond van art. 223 Rv Pro kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Een provisionele vordering op grond van art. 223 Rv Pro strekt ertoe om gedurende de duur van de aanhangige hoofdprocedure voorlopige maatregelen te treffen. De provisionele vordering dient samen te hangen met de hoofdvordering en eiser dient daarbij voldoende belang te hebben. Bovendien moet van eiser niet kunnen worden gevergd dat hij de uitkomst van de hoofdzaak afwacht. Bij de beoordeling dient het hof de belangen tussen partijen af te wegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak, en van de proceskansen daarin.
2.4
Aan de minimumvereisten voor toewijzing van een provisionele vordering zoals vermeld in artikel 223 Rv Pro is voldaan. De hoofdzaak is reeds aanhangig en de vereiste samenhang is aanwezig.
2.5
[appellant] stelt dat zijn belang bij schorsing van de tenuitvoerlegging van het arrest en het vonnis in beginsel is gegeven omdat hij is veroordeeld tot betaling van een geldsom. Verder heeft Rabobank beslag gelegd op ontwikkelbare commerciële grond van [appellant] , die stelt het risico te lopen dat zijn grond zal worden geveild en dat hij daardoor schade zal lijden. [appellant] wenst de onomkeerbare situatie waarin hij de grond voorgoed kwijt is te voorkomen. Het belang van Rabobank om het arrest direct ten uitvoer te leggen, weegt volgens [appellant] niet op tegen zijn belang bij behoud van de bestaande toestand zolang niet is beslist op de vordering tot herroeping.
2.6
Rabobank voert aan dat [appellant] geen belang heeft bij zijn vordering omdat er op dit moment geen sprake is van tenuitvoerlegging en refereert zich aan het oordeel van het hof.
2.7
Bij gebreke van een afspraak met of toezegging van Rabobank dat zij gedurende de herroepingsprocedure geen verdere incassomaatregelen zal treffen – die niet gesteld of gebleken is – heeft [appellant] belang bij zijn incidentele vorderingen. Gesteld noch gebleken is dat hij belang heeft bij toewijzen van beide, vrijwel gelijkluidende, vorderingen. De incidentele vordering in zaak 200.301.617/01 zal daarom worden afgewezen.
2.8
Bij beoordeling van de incidentele vordering in zaak 200.305.991/01 moet op de voet van art. 223 Rv Pro een belangenafweging worden gemaakt. Naar het oordeel van het hof weegt in de gegeven omstandigheden het belang van [appellant] bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op zijn vordering tot herroeping is beslist zwaarder dan het belang van Rabobank bij (voortzetting van) de tenuitvoerlegging van de met het arrest bekrachtigde veroordeling. Daarbij weegt mee dat Rabobank nu kennelijk geen tenuitvoerleggingsmaatregelen neemt en zich refereert aan het oordeel van het hof in het incident. De incidentele vordering van [appellant] zal daarom worden toegewezen.
2.9
De beslissing over de kosten van de incidenten zal worden aangehouden tot het eindoordeel in de hoofdzaak.
2.1
De hoofdzaak in beide zaken zal worden verwezen naar de rol van 14 maart 2023 voor het nemen van een memorie van antwoord door Rabobank. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4.Beslissing

Het hof:
in het incident ex art. 222 Rv Pro
voegt de zaak met zaaknummer 200.305.991/01 met de zaak met zaaknummer 200.301.617/01;
in de incidenten ex art. 223 Rv Pro
wijst de vordering in zaak 200.301.617/01 af;
schorst de tenuitvoerlegging van de het arrest van 20 april 2021 onder zaaknummer 200.260.503/01 gewezen en het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, met zaak-/rolnummer C/15/273168 van 20 februari 2019;
in beide incidenten
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;
in de hoofdzaken:
verwijst de zaak naar de rol van 14 maart 2023 voor het nemen van een memorie van antwoord door Rabobank;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. L. Alwin, W.A.H. Melissen, en P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2023.