ECLI:NL:GHAMS:2023:181
Gerechtshof Amsterdam
- Tussenuitspraak
- Rechtspraak.nl
Schorsing tenuitvoerlegging arrest tijdens behandeling vordering tot herroeping
In deze civiele procedure vordert appellant herroeping van een eerder arrest waarin hij is veroordeeld tot betaling van een geldsom aan Rabobank. Tijdens de behandeling van deze vordering vraagt appellant ook om schorsing van de tenuitvoerlegging van het arrest en het onderliggende vonnis.
Het hof beoordeelt de incidentele vorderingen tot schorsing en toetst deze aan de vereisten van artikel 223 Rv Pro. Het hof constateert dat appellant belang heeft bij schorsing omdat Rabobank beslag heeft gelegd op zijn commerciële grond, waardoor het risico bestaat dat deze geveild wordt en appellant onherstelbare schade lijdt.
Na belangenafweging oordeelt het hof dat de vordering tot schorsing in één van de zaken wordt afgewezen, omdat appellant geen belang heeft bij beide vrijwel gelijkluidende vorderingen. De andere vordering wordt toegewezen omdat het belang van appellant bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan het belang van Rabobank bij voortzetting van de tenuitvoerlegging, mede omdat Rabobank op dit moment geen incassomaatregelen neemt.
De beslissing over de proceskosten wordt aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak. De hoofdzaak wordt verwezen naar een rolzitting voor het nemen van een memorie van antwoord door Rabobank. Alle verdere beslissingen worden aangehouden.
Uitkomst: Het hof wijst de schorsing van de tenuitvoerlegging toe in één zaak en wijst de andere af, met aanhouding van kostenbeslissing en verwijzing van de hoofdzaak.