ECLI:NL:GHAMS:2023:1828
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verhuisverbod en omgangsregeling bij eenhoofdig gezag over minderjarige
Partijen, moeder en vader, zijn betrokken bij een geschil over het eenhoofdig gezag en de omgangsregeling met hun minderjarige kind, geboren in 2019. De moeder is belast met het eenhoofdig gezag en is verhuisd naar een andere plaats nadat de gezamenlijke woning was verkocht. De vader verzocht om medegezag en een omgangsregeling, alsmede een verbod op verhuizing en terugverhuizing van het kind.
De voorzieningenrechter verbood de moeder te verhuizen met het kind en beval terugverhuizing, met een voorlopige omgangsregeling. De moeder kwam in hoger beroep tegen dit vonnis, met als kern dat zij voldoet aan haar verplichting het contact tussen vader en kind te bevorderen en dat het verhuisverbod onredelijk is gezien haar woonruimteproblematiek.
Het hof oordeelt dat de moeder met het eenhoofdig gezag bevoegd is te verhuizen zonder toestemming van de vader, mits zij het contact bevordert. Het hof acht aannemelijk dat de moeder aan deze verplichting voldoet, onder meer door een voorlopige omgangsregeling die partijen uitvoeren. Het verzoek van de vader tot terugverhuizing en voorlopige toewijzing van het kind wordt afgewezen. De omgangsregeling blijft voorlopig van kracht met nadere preciseringen, en partijen worden geacht de mediation voort te zetten. De proceskosten worden gecompenseerd.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de vader tot terugverhuizing af en bevestigt de voorlopige omgangsregeling met nadere precisering.