ECLI:NL:GHAMS:2023:1937

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
15 augustus 2023
Publicatiedatum
10 augustus 2023
Zaaknummer
200.328.111/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 1:265c BWArtikel 1.1 Jeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verval machtiging uithuisplaatsing na instemming raad met beëindiging GI

De ouders zijn in hoger beroep gekomen tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van hun minderjarige kind. De gecertificeerde instelling (GI) en de Raad voor de Kinderbescherming waren betrokken als verweerster en adviserende instantie. De minderjarige was sinds december 2022 onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst vanwege een zorgelijk opvoedklimaat.

De GI verlengde de machtiging tot uithuisplaatsing tot 16 september 2023, maar de raad stemde op 5 juli 2023 schriftelijk in met het voorgenomen besluit tot beëindiging van deze machtiging. Hierdoor verviel de verlenging vanaf die datum. Het hof oordeelde dat de ouders geen belang meer hadden bij de beoordeling van de periode na 5 juli 2023 en beperkte de beoordeling tot de periode van 16 maart tot 5 juli 2023.

Het hof concludeerde dat de machtiging tot uithuisplaatsing in deze periode noodzakelijk was in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Er was sprake van een langdurig zorgelijk opvoedklimaat met conflicten en huiselijk geweldsindicaties. De minderjarige stond niet open voor contactherstel, ondanks pogingen van hulpverlening. Na eigen initiatief van de minderjarige keerde zij op 5 mei 2023 terug naar huis, maar er bleef zorg over toekomstige escalaties.

Het hof bekrachtigde de bestreden beschikking voor zover deze ziet op de verlenging tot 5 juli 2023 en verklaarde dat de machtiging daarna is komen te vervallen door instemming van de raad met beëindiging van de GI.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing tot 5 juli 2023 waarna deze verviel door instemming van de raad met beëindiging van de GI.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
Zaaknummer: 200.328.111/01
Zaaknummer rechtbank: C/13/728640/ JE RK 23-35
Beschikking van de meervoudige kamer van 15 augustus 2023 inzake

1.[de moeder] ,

verder te noemen: de moeder,
en

2. [de vader] ,

verder te noemen: de vader,
verder gezamenlijk te noemen: de ouders,
beiden wonende te [plaats A] ,
verzoekers in hoger beroep,
advocaat: mr. D.J. Klock te Haarlem,
en
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio [plaats A] ,
gevestigd te [plaats A] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI.
Het hof heeft als (overige) belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] (verder te noemen: [minderjarige] ), geboren [in] 2008 te [plaats A] .
In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:
De Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag,
locatie: [plaats A] ,
hierna te noemen: de raad.

1.Het verloop van de procedure bij de rechtbank

Het hof verwijst voor het verloop van de procedure bij de rechtbank naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kinderrechter) van 10 maart 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De ouders zijn op 8 juni 2023 in hoger beroep gekomen van de beschikking van
10 maart 2023.
2.2
De GI heeft op 11 juli 2023 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
- een ingevuld Formulier bij kindgesprek van 24 juni 2023 met als bijlage een brief van [minderjarige] aan het hof;
- een brief van de ouders van 13 juli 2023 met bijlagen (producties 13 tot en met 18).
2.4
Pas na de zitting op 17 juli 2023 hebben de raadsheren die deze zaak behandelen er kennis van genomen dat [minderjarige] het hof voornoemde brief heeft gestuurd. Nu de zitting was gesloten en bovendien de voorzitter met [minderjarige] heeft gesproken op 11 juli 2023 en daarvan op de zitting een korte samenvatting heeft gegeven, is besloten deze brief niet mee te nemen bij de beoordeling van de zaak.
2.5
De mondelinge behandeling heeft op 17 juli 2023 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de ouders, bijgestaan door hun advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI;
- [zus] (verder te noemen: [zus] );
- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw H. Uyanik.

3.De feiten

3.1
Uit het huwelijk van de ouders is (voor zover hier van belang) [minderjarige] geboren.
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] .
[zus] is de meerderjarige zus van [minderjarige] .
3.2
Op 16 december 2022 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van drie maanden. Op diezelfde datum is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend in een netwerkpleeggezin, te weten bij de ouders van een klasgenoot, voor de duur van één week.
Op 19 december 2022 zijn de voorlopige ondertoezichtstelling en de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing gehandhaafd en is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van één jaar, tot 16 maart 2024. Tevens is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin verleend voor de duur van één maand, tot 23 januari 2023. Deze machtiging is daarna verlengd.
3.3
[minderjarige] verbleef aanvankelijk in het gezin van een klasgenoot en heeft van 12 maart 2023 tot 5 mei 2023 verbleven in een gezinshuis. Sinds 5 mei 2023 woont zij weer bij de ouders.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsvervangende voorziening/netwerkplaatsing verlengd tot 16 september 2023.
4.2
De ouders verzoeken, met vernietiging van de bestreden beschikking, afwijzing van het inleidende verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing.
4.3
De GI verzoekt de ouders niet-ontvankelijk te verklaren in het door hen ingestelde hoger beroep, dan wel het verzoek van de ouders af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Uit de stukken en hetgeen ter zitting in hoger beroep naar voren is gebracht, volgt dat de raad op 5 juli 2023 schriftelijk heeft ingestemd met het voorgenomen besluit van de GI om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te beëindigen. Daarmee is de bij de bestreden beschikking verlengde machtiging tot uithuisplaatsing op 5 juli 2023 komen te vervallen. Dit brengt mee dat de ouders geen belang meer hebben bij een beoordeling van de uithuisplaatsing van [minderjarige] over de periode van 5 juli 2023 tot 16 september 2023. Om die reden zal het hof uitsluitend oordelen over de gronden en noodzaak voor uithuisplaatsing over de periode van 16 maart 2023 tot 5 juli 2023.
Het wettelijke kader
5.2
Op grond van artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Op grond van artikel 1:265c, tweede lid BW kan de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar worden verlengd.
De standpunten
5.3
De ouders zijn van mening dat er ten tijde van de bestreden beschikking geen gronden meer waren voor verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. De ouders stonden open voor hulpverlening en werkten hieraan mee. De GI heeft zich volgens de ouders onvoldoende ingespannen om te werken aan contactherstel tussen [minderjarige] en de ouders en is teveel meegegaan in de wens van [minderjarige] om geen contact met de ouders te hebben. Na de terugkeer van [minderjarige] naar huis heeft de GI de machtiging tot uithuisplaatsing niet direct beëindigd. Pas na het instellen van dit hoger beroep door de ouders heeft de GI een besluit tot beëindiging van de machtiging tot uithuisplaatsing voorgelegd aan de raad ter toetsing, waardoor zowel [minderjarige] als de ouders nog een hele tijd met de angst hebben geleefd dat [minderjarige] weer uit huis zou worden geplaatst.
5.4
De GI meent dat de kinderrechter een juiste beslissing heeft genomen. Ten tijde van de bestreden beschikking vond [minderjarige] het nog erg moeilijk om contactherstel aan te gaan. De verlenging was noodzakelijk om het contact tussen [minderjarige] en de ouders te kunnen herstellen en om het gezin daarbij te leren hoe ze anders met elkaar konden communiceren over gevoelige onderwerpen, waardoor er in de toekomst minder ruzies en escalaties zouden plaatsvinden. Nadat [minderjarige] op eigen initiatief weer naar huis is gegaan, heeft de GI de machtiging tot uithuisplaatsing niet direct beëindigd omdat er gelet op het al jaren bestaande gezinspatroon zorgen waren over een mogelijke toekomstige escalatie binnen het gezin.
Het advies van de raad
5.5
De raad adviseert het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen, omdat de machtiging tot uithuisplaatsing ten tijde van de bestreden beschikking nog noodzakelijk was. [minderjarige] stond niet open voor contact met haar ouders, ondanks de pogingen van de hulpverlening om dit tot stand te brengen. Omdat [minderjarige] vrij plotseling op eigen initiatief weer naar huis is teruggekeerd, was er geen tijd om – zoals gebruikelijk in dit soort situaties – stapsgewijs toe te werken naar thuisplaatsing en om veiligheidsafspraken te maken, aldus de raad.
De beoordeling door het hof
5.6
Het hof is van oordeel dat over de periode van 16 maart 2023 tot 5 juli 2023 werd voldaan aan de wettelijke gronden voor verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] en dat deze machtiging nodig was. Er was voor de uithuisplaatsing van [minderjarige] in december 2022 al jarenlang sprake van een zorgelijk opvoedklimaat van [minderjarige] bij de ouders. Sinds 2018 zijn diverse hulpverleningsinstanties (zoals Veilig Thuis, het Ouder- en Kindteam en de Opvoedpoli) in het vrijwillig kader betrokken geweest bij het gezin. [minderjarige] en de ouders beschuldigden elkaar over en weer van huiselijk geweld. Er was sprake van een patroon waarbij de ouders zelf aangaven zorgen te hebben over [minderjarige] en de hulp aangingen, maar op het moment dat de zorgen werden besproken of werden aangepakt, zich terugtrokken en het probleem bij [minderjarige] legden. [minderjarige] is aanvankelijk uit huis geplaatst in het gezin van een klasgenoot en later in een gezinshuis. Zij stond in die periode niet open voor contact met haar ouders. Zowel in de periode voorafgaand aan de bestreden beschikking als daarna is door de GI getracht om contactherstel tot stand te brengen door zowel de ouders als [minderjarige] te proberen te motiveren om in een vaste frequentie met de Opvoedpoli samen te werken. [minderjarige] is, nadat zij op eigen initiatief, ook door de ziekte van haar vader, contact met [zus] heeft gezocht, van gedachten veranderd en op 5 mei 2023 weer naar huis teruggekeerd. Naar het oordeel van het hof was er op dat moment bij de hulpverlening nog een terechte zorg dat het gezin in de toekomst opnieuw zou worden geconfronteerd met escalaties, gelet op het hierboven genoemde gezinspatroon.
Gelet op al het voorgaande concludeert het hof dat de machtiging tot uithuisplaatsing in de periode van 16 maart 2023 tot 5 juli 2023 noodzakelijk was in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] als bedoeld in artikel 1:265b, eerste lid, BW.
5.7
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.Beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover de beslissing ziet op de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] tot 5 juli 2023.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J. Jonkers, J.M.C. Louwinger-Rijk en
A.R. van Wieren, in tegenwoordigheid van mr. V.A.M. Willemsen als griffier en is op
15 augustus 2023 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.