ECLI:NL:GHAMS:2023:2161

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
18 september 2023
Publicatiedatum
20 september 2023
Zaaknummer
200.311.835/04
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:119 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen wrakingskamer in belastingzaak wegens gebrek aan gegronde vooringenomenheid

In deze zaak diende verzoeker een wrakingsverzoek in tegen de leden van de wrakingskamer die hadden beslist over een eerder wrakingsverzoek in een belastingzaak. Verzoeker stelde dat door zonder zitting te beslissen op een herzieningsverzoek het fundamentele rechtsbeginsel van hoor en wederhoor was geschonden, waardoor sprake zou zijn van rechterlijke vooringenomenheid.

De wrakingskamer overwoog dat procedurele beslissingen, zoals het afdoen van een verzoek zonder zitting, in beginsel geen grond voor wraking kunnen vormen. Dit volgt uit vaste rechtspraak en het feit dat wraking geen verkapt rechtsmiddel is. Ook de motivering van een procedurele beslissing kan niet leiden tot wraking, tenzij deze onmiskenbaar blijk geeft van vooringenomenheid, wat hier niet het geval was.

De wrakingskamer concludeerde dat de beslissing om het herzieningsverzoek zonder zitting af te doen en de motivering daarvan geen objectieve aanwijzingen bevatten voor vooringenomenheid. Er waren geen bijzondere omstandigheden die het uitgangspunt konden doorbreken. Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen.

De beslissing werd op 18 september 2023 in het openbaar uitgesproken door de wrakingskamer bestaande uit S.M.M. Bordenga, P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en L. Alwin, in aanwezigheid van griffier P. Stubbe.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de wrakingskamer is afgewezen wegens gebrek aan gegronde aanwijzingen voor rechterlijke vooringenomenheid.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM
zaaknummer : 200.311.835/04
beslissing van de wrakingskamer van 18 september 2023
inzake het op 28 november 2022 gedane verzoek namens
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. J.H. Weermeijer,
hierna: verzoeker.

1.Het wrakingsgeding

1.1
In de wrakingsprocedure met kenmerk zaaknummer 200.311.835/02 is op 28 november 2022 per e-mail bij de griffie van de wrakingskamer van het gerechtshof Amsterdam (hierna te noemen: de wrakingskamer) namens verzoeker een verzoek tot wraking van mrs. A.N. van de Beek, J.F. Aalders en R. Kuiper (hierna gezamenlijk te noemen: de raadsheren) ingediend.
1.2
De raadsheren hebben niet berust in het wrakingsverzoek. Zij hebben op 13 december 2022 een schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek gegeven.
1.3
De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 16 januari 2023. Op die zitting heeft de gemachtigde van de verzoeker het verzoek nader toegelicht en mr. Van de Beek heeft de reactie van de raadsheren toegelicht.

2.De feiten en het procesverloop

2.1
In de procedure met kenmerk zaaknummer 21/01711 (hierna te noemen: de hoofdzaak) is op 8 juni 2022 per e-mail bij een griffier van de belastingkamer van het gerechtshof Amsterdam (hierna te noemen: het hof) namens verzoeker een verzoek tot wraking van mr. N. Djebali, mr. M.J. Leijdekker en mr. J-P.R. van den Berg ingediend.
2.2
Op 8 juni 2022 heeft het onderzoek ter terechtzitting plaatsgevonden in de hoofdzaak. Het proces-verbaal van die zitting van de belastingkamer van dit hof houdt onder meer in:
De voorzitter opent om 13.20hr het onderzoek ter zitting. De voorzitter constateert dat de
gemachtigde van belanghebbende niet is verschenen, maar dat de zetel vanaf de starttijd van de zitting om 13.00hr 20 minuten heeft gewacht en de gemachtigde van belanghebbende alsnog niet is verschenen. Van de bode heeft de zetel om 13.00hr vernomen dat belanghebbende aan het parkeren was.
2.3
Hierna is het onderzoek voortgezet en vervolgens gesloten, buiten aanwezigheid van de verzoeker en de gemachtigde, waarbij is medegedeeld dat het hof binnen zes weken schriftelijk uitspraak zal doen.
2.4
Op 8 juni 2022 om 23:21 uur heeft de gemachtigde de hiervoor genoemde e-mail gestuurd met het wrakingsverzoek.
2.5
Op 9 juni 2022 is uitspraak gedaan in de hoofdzaak.
2.6
De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek van 8 juni 2022 bij beschikking van 25 juli 2022 afgewezen.
2.7
Op 4 oktober 2022 is per e-mail bij de griffie van de wrakingskamer namens verzoeker een verzoek tot herziening van de beslissing 25 juli 2022 ingediend.
2.8
Op 6 oktober 2022 heeft de griffier van de wrakingskamer van het hof verzoeker per brief bericht dat de beslissing van 25 juli 2022 niet vatbaar is voor herziening. Verzoeker heeft daarop gereageerd met de mededeling dat hij zich met de inhoud van die brief niet kan verenigen. Daarop heeft de griffier van de wrakingskamer verzoeker op 10 oktober 2022 per e-mail bericht dat zonder zitting op het herzieningsverzoek zal worden beslist.
2.9
Het herzieningsverzoek is bij beschikking van de wrakingskamer van 12 oktober 2022 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De wrakingskamer heeft in die beschikking – samengevat – geoordeeld dat de beslissing van de wrakingskamer van 25 juli 2022 niet kan worden aangemerkt als een uitspraak als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid Algemene wet bestuursrecht (Awb) en daarom niet vatbaar is voor herziening. Aangezien het naar het oordeel van de wrakingskamer gaat om een evidente niet-ontvankelijkheid, is de zaak buiten zitting afgedaan.
2.1
Naar aanleiding van de beslissing van 12 oktober 2022 heeft de gemachtigde namens verzoeker op 22 november 2022 per e-mail een tweede herzieningsverzoek bij de wrakingskamer ingediend.
2.11
Op 28 november 2022 is de gemachtigde van verzoeker per e-mail namens de wrakingskamer bericht dat zonder zitting op het tweede verzoek zal worden beslist. De gemachtigde van verzoeker heeft de wrakingskamer daarop dezelfde dag bericht dat hij wenst te worden gehoord en dat de inhoud van de mail van de wrakingskamer
overkomt als schijn van vooringenomenheid. Vervolgens heeft de wrakingskamer de e-mail met het wrakingsverzoek zoals hiervoor onder 1.1 genoemd ontvangen.
2.12
Tijdens de behandeling (via een telehorenverbinding) ter zitting van het wrakingsverzoek op 16 januari 2023 is aan de orde gekomen dat verzoeker op 25 augustus 2022 cassatie heeft ingesteld tegen de uitspraak in de hoofdzaak. De wrakingskamer heeft – na beraad – op de zitting de beslissing genomen dat de beslissing op het wrakingsverzoek van 28 november 2022 voor een periode van zes maanden zal worden aangehouden in afwachting van de uitspraak van de Hoge Raad. De gemachtigde van verzoeker heeft desgevraagd verklaard tegen aanhouding om die reden geen bezwaar te hebben.
2.13
De gemachtigde van verzoeker heeft op 23 mei 2023 aan de wrakingskamer gevraagd om uitspraak te doen, onder meer omdat er geen zicht is op een uitspraak van de Hoge Raad. De wrakingskamer heeft dat verzoek niet ingewilligd. Op 7 juni 2023 heeft de gemachtigde van verzoeker de wrakingskamer per e-mail bericht dat de uitspraak van de Hoge Raad nog minstens een jaar op zich laat wachten, en heeft om die reden de wrakingskamer verzocht om alsnog op korte termijn een beslissing te nemen op het wrakingsverzoek.
2.14
Op 27 juli 2023 heeft de griffier van de wrakingskamer aan gemachtigde van verzoeker per e-mail bericht dat niet eerder dan eind augustus een inhoudelijke reactie op zijn mail van 7 juni 2023 volgt, wegens vakantie van een van de raadsheren van de zittingscombinatie in de wrakingsprocedure.
2.15
Op 4 september 2023 heeft de griffier van de wrakingskamer aan de gemachtigde van verzoeker bericht dat de wrakingskamer uiterlijk drie weken nadien, of zo mogelijk eerder, een beslissing zal nemen op het wrakingsverzoek van 28 november 2022.

3.Het wrakingsverzoek en de schriftelijke reactie daarop

3.1
Het verzoek tot wraking houdt kort samengevat het volgende in. Door zonder zitting te beslissen op het herzieningsverzoek wordt de gemachtigde van verzoeker de kans ontnomen om het verzoek tot herziening nader toe te lichten. Door aldus te handelen heeft het hof een fundamenteel rechtsbeginsel geschonden en kan van een eerlijke en onpartijdige behandeling van het herzieningsverzoek niet worden gesproken.
3.2
De schriftelijke reactie van de raadsheren houdt kort samengevat het volgende in. De beslissing om de zaak af te doen zonder zitting is een procedurele beslissing. Een procedurele beslissing kan geen grond vormen voor wraking; wraking is geen verkapt rechtsmiddel. De aangekondigde afdoening zonder zitting vloeit voort uit de aard van het verzoek, waarin (opnieuw) herziening wordt verzocht van een beslissing die daarvoor niet vatbaar is. Een andere beslissing op dat verzoek dan vaststelling van de kennelijke niet-ontvankelijkheid van verzoeker is niet mogelijk. Daarom geeft de aankondiging dat zonder zitting op het verzoek zal worden beslist geen grond voor de veronderstelling dat sprake is van rechterlijke vooringenomenheid of van de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor.
3.3
Bij de behandeling ter zitting van het wrakingsverzoek heeft de gemachtigde nog het volgende naar voren gebracht.
Het gaat niet om een procedurele beslissing en er is geen sprake van een gesloten rechtstelsel. Er is geen hoor en wederhoor toegepast. Er zijn grote fouten gemaakt. Vooral in de hoofdzaak zit het hof fout doordat is beslist, hoewel bekend was dat een wrakingsverzoek was ingediend.

4.Het oordeel van de wrakingskamer

4.1
Op grond van artikel 8:15 van Pro de Awb kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Op grond van artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op de behandeling van het hoger beroep in belastingzaken.
4.2
Naar vaste rechtspraak dient bij de beoordeling van een wrakingsverzoek voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Bij de beantwoording van de vraag of in een bepaald geval een gerechtvaardigde grond voor vrees voor partijdigheid van de rechter bestaat, is het standpunt van de klagende partij belangrijk, maar niet doorslaggevend. Beslissend is of de twijfel van de klagende partij aan de onpartijdigheid van de rechter, door objectieve factoren wordt gerechtvaardigd.
4.3
De wrakingskamer stelt voorop dat zij in deze beslissing slechts een oordeel kan geven over het wrakingsverzoek van 28 november 2022, ten aanzien van de leden van de wrakingskamer die hebben beslist op het eerder namens verzoeker gedane wrakingsverzoek. Dat eerdere wrakingsverzoek valt buiten de reikwijdte van deze beslissing. De kern van de klacht in het verzoek om de leden van de wrakingskamer te wraken ziet op het niet toepassen van de beginselen van hoor en wederhoor, door met voorbijgaan aan het daartoe strekkende verzoek, zonder de gemachtigde van verzoeker te horen te beslissen op het herzieningsverzoek. Op grond van artikel 8:54 Awb Pro kan de rechter een beslissing nemen zonder dat partijen eerst worden gehoord. De beslissing van de gewraakte raadsheren om het herzieningsverzoek op die manier af te doen betreft een beslissing met een procedureel karakter. Procedurele beslissingen kunnen als zodanig in beginsel geen grond vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van een procedurele beslissing. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Ook de motivering van een procedurele beslissing kan in beginsel geen grond vormen voor wraking, ook niet indien het zou gaan om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de procedurele beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413).
4.4
De wrakingskamer is van oordeel dat de beslissing om het herzieningsverzoek zonder zitting af te doen en de motivering daarvan, tegen de achtergrond van de hiervoor weergegeven feiten en het procesverloop, geen grond oplevert voor het oordeel dat de raadsheren jegens verzoeker vooringenomenheid koesteren, dan wel dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Niet is gebleken van zodanig bijzondere omstandigheden dat reden bestaat om van bovengenoemd uitgangspunt, dat een procedurele beslissing geen grond vormt voor wraking, af te wijken dan wel dat de motivering niet anders kan worden verstaan dan als een blijk van vooringenomenheid.
4.5
Het verzoek tot wraking zal worden afgewezen.

5.De beslissing

De wrakingskamer:
wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beslissing is gegeven door mrs. S.M.M. Bordenga, P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en
L. Alwin in tegenwoordigheid van mr. P. Stubbe, griffier, en is op 18 september 2023 in het openbaar uitgesproken.
De voorzitter en griffier ondertekenen de uitspraak.