Op 21 februari 2021 vond te Beverwijk een verkeersincident plaats waarbij de verdachte de aangever mishandelde door hem met zijn vuist in het gezicht te slaan. Dit leidde tot een woordenwisseling en fysieke mishandeling die pijn veroorzaakte bij het slachtoffer.
De verdachte stelde zich in hoger beroep op het standpunt dat de bewijsmiddelen onvoldoende overtuigend waren, maar het hof achtte de verklaring van het slachtoffer en de getuigenverklaringen wettig en overtuigend bewezen. De mishandeling werd strafbaar verklaard en de verdachte strafbaar gesteld.
De politierechter had in eerste aanleg een taakstraf van 40 uur opgelegd, subsidiair 20 dagen hechtenis. Het hof matigde de straf tot een taakstraf van 30 uur, mede vanwege de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het plaatsvond, eerdere veroordelingen van de verdachte en een beperkte overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.
Het hof oordeelde dat een geldboete niet passend was gezien de agressie in het verkeer en de impact op het slachtoffer en getuigen. De verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf van 30 uur, te vervangen door 15 dagen hechtenis indien niet naar behoren uitgevoerd.