ECLI:NL:GHAMS:2023:2402

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
1 september 2023
Publicatiedatum
17 oktober 2023
Zaaknummer
22/02427
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45aa Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001Art. 60 AWRArt. 6:11 AwbArt. 6:9 lid 2 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid verzoek ambtshalve vermindering belastingaanslag wegens termijnoverschrijding

In deze zaak stond centraal of het verzoek van belanghebbende tot ambtshalve vermindering van de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2014 terecht niet-ontvankelijk was verklaard vanwege overschrijding van de wettelijke termijn van vijf jaar na het kalenderjaar waarop de aanslag betrekking heeft.

Het verzoek was per post verzonden op 30 december 2019 en door de inspecteur ontvangen op 2 januari 2020, waardoor het te laat was ingediend. Het hof bevestigde dat een geschrift tijdig is ingediend indien het voor afloop van de termijn door het bestuursorgaan is ontvangen. Belanghebbende stelde geen feiten of omstandigheden die de termijnoverschrijding verschoonbaar maakten, en het hof vond ook ambtshalve geen aanleiding tot anders.

Het hof oordeelde dat de toepasselijke wettelijke regelingen, waaronder artikel 45aa Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 en artikel 60 AWR Pro in samenhang met artikel 6:11 Awb Pro, duidelijk zijn en dat het verzoek terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen veroordeling in proceskosten opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek tot ambtshalve vermindering van de belastingaanslag 2014 is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke termijn.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 22/02427
1 september 2023
zevende enkelvoudige belastingkamer

proces-verbaal

van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: M. Collij)
tegen de uitspraak van 3 oktober 2022 in de zaak met kenmerk HAA 21/06655 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Partijen hebben het Hof toestemming gegeven om zonder mondelinge behandeling uitspraak te doen. Het Hof heeft hierop het onderzoek gesloten.

Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Gronden

1. In geschil is of het verzoek van belanghebbende tot ambtshalve vermindering van de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2014 (hierna: het verzoek) terecht niet-ontvankelijk is verklaard wegens het overschrijden van de termijn van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft, zoals weergegeven in artikel 45aa Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001.
2. Niet in geschil is dat het verzoek op 30 december 2019 per post is verstuurd en op 2 januari 2020 door de inspecteur is ontvangen.
3. Uitgangspunt is dat een geschrift tijdig is ingediend indien het voor afloop van de termijn door het bestuursorgaan is ontvangen.
4. Op grond van artikel 60 AWR Pro is artikel 6:11 Awb Pro van overeenkomstige toepassing op verzoekschriften. Belanghebbende heeft evenwel geen feiten en omstandigheden gesteld die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken. Ook ambtshalve is het Hof van zodanige feiten niet gebleken.
5. Voor overeenkomstige toepassing van artikel 6:9 lid 2 Awb Pro op verzoekschriften ontbreekt een wettelijke grondslag.
6. Het verzoek tot ambtshalve vermindering is dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens het overschrijden van de daartoe gestelde termijn. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.
7. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten van het hoger beroep op de voet van artikel 8:75 Awb Pro in verbinding met artikel 8:108 van Pro die wet.
De mondelinge uitspraak is gedaan op 1 september 2023 door mr. F.J.P.M. Haas in tegenwoordigheid van mr. H.A.S. Roozeboom als griffier. De beslissing is op de datum van de mondelinge uitspraak in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: