Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
.
Gerechtshof Amsterdam
De betrokkene, geboren in 2001, is sinds 2020 onder curatele gesteld met benoeming van een professionele curator. De moeder van de betrokkene verzocht om omzetting van deze curatele in minder ingrijpende beschermingsmaatregelen, te weten bewind en mentorschap, waarbij de moeder en een zus als respectievelijk mentor en bewindvoerder zouden optreden.
In eerste aanleg wees de kantonrechter dit verzoek af. De betrokkene ging hiertegen in hoger beroep en stelde dat de curatele onnodig zwaar is, mede omdat zij weer bij haar moeder woont, een stabiele financiële situatie heeft en ondersteuning krijgt van familieleden. De curator betoogde dat ondanks enige verbetering de curatele noodzakelijk blijft vanwege eerdere onveilige situaties, het niet volwaardig meewerken aan ambulante hulpverlening en onzorgvuldig financieel gedrag.
Het hof constateert dat de situatie van de betrokkene is verbeterd, maar acht de extra bescherming van curatele nog steeds noodzakelijk. Dit oordeel baseert het hof op zowel de voorgeschiedenis als recente voorbeelden, zoals het onverantwoordelijk omgaan met financiën en medische zorg. De betrokkenheid van familie wordt gewaardeerd, maar biedt onvoldoende garantie voor bescherming zonder curatele.
Daarom wordt de bestreden beschikking bekrachtigd en het verzoek tot omzetting afgewezen. De curator blijft in functie, zodat het hof geen beslissing over de uitvoerder van de maatregel hoeft te nemen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de curatele en wijst het verzoek tot omzetting in bewind en mentorschap af.