ECLI:NL:GHAMS:2023:2584

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 oktober 2023
Publicatiedatum
1 november 2023
Zaaknummer
200.312.990/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 224 RvArt. 351 RvArt. 353 RvArt. 6:51 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevel tot zekerheidstelling proceskosten in hoger beroep civiele zaak

In deze civiele procedure in hoger beroep vordert verweerder zekerheidstelling voor proceskosten van €5.000,- van eisers, die in eerste aanleg een reconventionele vordering hadden ingesteld. Het hof overweegt dat op grond van artikel 224 Rv Pro eisers, die geen woonplaats in Nederland hebben, zekerheid moeten stellen tenzij een uitzondering van toepassing is, welke hier niet is gebleken.

Hoewel eisers aanvoeren dat de vorderingen van partijen elkaars spiegelbeeld zijn en daarom geen zekerheid nodig zou zijn, oordeelt het hof dat dit geen grond is om de vordering af te wijzen. De hoogte van de zekerheid is vastgesteld op het door verweerder gevorderde bedrag van €5.000,-. De vorm van de zekerheid wordt niet vooraf bepaald, mits deze voldoende zekerheid biedt en verhaal mogelijk maakt.

Het hof stelt een termijn van acht weken na uitspraak voor het stellen van zekerheid en houdt de beslissing over de kosten van het incident aan tot het eindarrest in de hoofdzaak. Tevens verwijst het hof de hoofdzaak naar de rol van 19 december 2023 voor nadere uitlatingen over de zekerheidstelling. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van het Gerechtshof Amsterdam op 10 oktober 2023.

Uitkomst: Eisers worden bevolen binnen acht weken zekerheid te stellen voor €5.000 aan proceskosten, op straffe van niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.312.990/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/701021 / HA ZA 21-392
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 oktober 2023
inzake
de gezamenlijke erfgenamen van wijlen [naam 1] ,
woonplaats kiezende ten kantore van mr. H.J. Bos te Haarlem,
geïntimeerden in de hoofdzaak,
eisers in het incident,
advocaat: mr. H.J. Bos te Haarlem.
tegen
[verweerder] ,
wonende te [woonplaats] , [land] ,
appellant in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat: mr. R.M.T. van den Bosch te Rotterdam,

1.Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [eisers] en [verweerder] genoemd.
[eisers] is bij dagvaarding van 16 mei 2022 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 mei 2022 onder bovenstaand zaaknummer gewezen tussen [verweerder] als eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie, en wijlen [naam 2] en [verweerder] (hierna tezamen: [eisers] c.s.) als gedaagden in conventie, tevens eisers in reconventie (hierna: het bestreden vonnis).
Het hof heeft de door [eisers] bij memorie van grieven ingestelde incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis ex artikel 351 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bij arrest van 21 maart 2023 afgewezen.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel verzoek strekkende tot zekerheidstelling ex artikel 224 Rv Pro van [verweerder] ;
- antwoordmemorie in het incident ex artikel 224 Rv Pro van [eisers] .
Vervolgens is arrest gevraagd in het incident ex artikel 224 Rv Pro.
[verweerder] vordert in het incident dat het hof, uitvoerbaar bij voorraad, [eisers] zal gelasten zekerheid te stellen voor een bedrag van € 5.000,- ter zake van de (te verwachten) proceskosten betreffende het door [eisers] ingestelde hoger beroep tegen de afwijzing van de reconventionele vordering, in de vorm van een door een Nederlandse bank afgegeven bankgarantie, met bepaling van de datum waartegen deze zekerheid van [eisers] in de hoofdzaak in hoger beroep moet zijn gesteld.
[eisers] concludeert primair dat het hof de incidentele vordering zal afwijzen, en subsidiair dat de zekerheid niet zal worden geboden in de vorm van een door een Nederlandse bank afgegeven bankgarantie, maar door storting van het geldbedrag op de kwaliteitsrekening van een Nederlandse notaris althans de derdengeldrekening van de advocaat van [verweerder] , met primair en subsidiair veroordeling van [verweerder] in de kosten van het incident.

2.Beoordeling

2.1
Op grond van artikel 224 lid 1 Rv Pro dient degene die, zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland, bij een Nederlandse rechter een vordering instelt, op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten tot betaling waarvan hij in die procedure veroordeeld zou kunnen worden, tenzij een van de in artikel 224 lid 2 Rv Pro genoemde uitzonderingen van toepassing is. Deze bepaling is op grond van artikel 353 lid 1 Rv Pro in hoger beroep van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat – zo volgt uit het tweede lid van dat artikel – in hoger beroep van de oorspronkelijke gedaagde geen zekerheid kan worden gevorderd.
2.2
[eisers] , die in eerste aanleg een vordering in reconventie heeft ingesteld bij een Nederlandse rechter, woont in [plaats] ( [land] ). Gesteld noch gebleken is dat een van de in artikel 224 lid 2 Rv Pro genoemde uitzonderingen zich voordoet. Dat betekent dat is voldaan aan de in artikel 224 Rv Pro neergelegde voorwaarden en dat [eisers] zekerheid zal moeten stellen. Dat geldt ook als, zoals [eisers] aanvoert, de vorderingen van [verweerder] en [eisers] volledig elkaars spiegelbeeld zouden zijn en daarom zeer nauw met elkaar zouden zijn verbonden. Dat is geen grondslag voor afwijzing van de incidentele vordering, want de zekerheid ziet op de te verwachten proceskosten. De hoogte daarvan is niet noodzakelijkerwijs nihil als de vorderingen sterk samenhangen. Het hof ziet daarom evenmin aanleiding om, zoals [eisers] vraagt, het bedrag van de zekerheidsstelling op nihil te stellen.
2.3
Partijen zijn het met elkaar eens over het bedrag waarvoor zekerheid gesteld dient te worden, namelijk € 5.000. Het hof zal daarom de hoogte van de zekerheidsstelling bepalen op dat door [verweerder] gevorderde bedrag.
2.4
[verweerder] verzoekt om zekerheidstelling door middel van een door een gerenommeerde Nederlandse grootbank te stellen bankgarantie, terwijl [eisers] – met het oog op de hoge kosten en complicaties waartoe het stellen van een internationale bankgarantie volgens hem zal leiden – verzoekt te mogen volstaan met storting van het bedrag waarvoor zekerheid moet worden gesteld op de derdengeldrekening van de advocaat van [verweerder] of een notaris. Het bepalen van de vorm van de zekerheid is echter niet noodzakelijk; de uitspraak waarbij het stellen van zekerheid wordt bevolen, drukt de som uit tot het beloop waarvan de zekerheid moet worden verstrekt (art. 224 lid 5 Rv Pro). De aangeboden zekerheid moet zodanig zijn, dat de vordering en, zo daartoe gronden zijn, de daarop vallende rente en kosten behoorlijk gedekt zijn en dat de schuldeiser daarop zonder moeite verhaal zal kunnen nemen (art. 6:51 lid 2 BW Pro). Het hof zal de vorm van zekerheid dus niet tevoren bepalen.
2.5
Vanwege de tijd die gemoeid zou kunnen zijn met het stellen van zekerheid wordt de termijn voor de zekerheidstelling bepaald op acht weken na de uitspraak van dit arrest.
2.6
Een oordeel over de kosten van het incident zal worden aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.

3.Beslissing

Het hof:
in het incident:
beveelt dat [eisers] ten genoegen van [verweerder] zekerheid stelt voor een bedrag van
€ 5.000,- ter zake van de proceskosten waarin [eisers] in hoger beroep veroordeeld zou kunnen worden;
bepaalt dat de zekerheid moet zijn gesteld binnen acht weken na de datum van dit arrest, derhalve uiterlijk op, op straffe van niet-ontvankelijkheid van [eisers] in de hoofdzaak;
houdt de beslissing over de proceskosten van dit incident aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 19 december 2023 voor uitlating aan de zijde van [verweerder] over de zekerheidsstelling;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. L. Alwin, P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en M.C. Bosch en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2023.3.