In hoger beroep is het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 juni 2021 bevestigd, behalve de straf die het hof vernietigt en herziet. De verdachte werd veroordeeld voor gijzeling van het slachtoffer in zijn woning, waarbij hij een belangrijke rol speelde als contactpersoon voor losgeld, bedreigde met een vuurwapen en het slachtoffer mishandelde met schoppen, slaan en snijden met een mes.
Daarnaast is de verdachte schuldig bevonden aan het in vereniging voorhanden hebben van een vuurwapen en kogelpatronen. Het hof acht het handelen van de verdachte buitengewoon ernstig vanwege de fundamentele inbreuk op de vrijheid van het slachtoffer en de maatschappelijke onrust die dergelijke feiten veroorzaken.
De rechtbank legde een gevangenisstraf op van achttien maanden waarvan negen maanden voorwaardelijk, maar het hof wijzigt dit naar achttien maanden waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, mede vanwege overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en hoger beroep. De verdachte toonde geen openheid of verantwoordelijkheid tijdens de zitting. Het hof wijst het verzoek van de raadsman af om een straf op te leggen zonder nieuwe detentie.
Het hof heft tevens het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op en trekt de strafmaat zorgvuldig afgewogen op basis van de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van de verdachte.