Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam waarin betrokkene was veroordeeld voor diefstal en medeplegen van gewoontewitwassen, met een opgelegde ontnemingsverplichting van €18.859,62.
In hoger beroep heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd omdat het tot een andere schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel kwam. Het hof stelde vast dat alleen de diefstal in vereniging van acht Bosch accuschroefboormachines was bewezen, met een waarde van €120 per stuk, wat resulteert in een totaal van €960. Aangezien de opbrengst naar aannemelijk wordt verdeeld tussen betrokkene en zijn broer, werd de helft, €480, aan betrokkene toegerekend.
De betrokkene had betwist dat de goederen van misdrijf afkomstig waren en ontkende sommige diefstallen, maar het hof achtte de bewezenverklaring van de diefstal in vereniging voldoende. Op grond hiervan legde het hof een ontnemingsverplichting van €480 op, met een maximale gijzelingstermijn van negen dagen.
Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 20 november 2023.