ECLI:NL:GHAMS:2023:2924

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
20 november 2023
Publicatiedatum
1 december 2023
Zaaknummer
23-003860-18
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering ontnemingsbedrag wegens herziening schatting wederrechtelijk verkregen voordeel

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam waarin betrokkene was veroordeeld voor diefstal en medeplegen van gewoontewitwassen, met een opgelegde ontnemingsverplichting van €18.859,62.

In hoger beroep heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd omdat het tot een andere schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel kwam. Het hof stelde vast dat alleen de diefstal in vereniging van acht Bosch accuschroefboormachines was bewezen, met een waarde van €120 per stuk, wat resulteert in een totaal van €960. Aangezien de opbrengst naar aannemelijk wordt verdeeld tussen betrokkene en zijn broer, werd de helft, €480, aan betrokkene toegerekend.

De betrokkene had betwist dat de goederen van misdrijf afkomstig waren en ontkende sommige diefstallen, maar het hof achtte de bewezenverklaring van de diefstal in vereniging voldoende. Op grond hiervan legde het hof een ontnemingsverplichting van €480 op, met een maximale gijzelingstermijn van negen dagen.

Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 20 november 2023.

Uitkomst: Het gerechtshof legt een ontnemingsverplichting van €480 op ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003860-18
datum uitspraak: 20 november 2023
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 oktober 2018 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-665626-16 tegen de betrokkene
[verdachte01],
geboren te [naam01] ( [geboorteland01] ) op [geboortedatum01] 1976,
adres: [adres01]

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 18.859,62.
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 oktober 2018 veroordeeld ter zake van
- kort gezegd – diefstal en diefstal in vereniging, meermalen gepleegd, en medeplegen van gewoontewitwassen.
Voorts heeft de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 23 oktober 2018 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 18.859,62 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van heden veroordeeld ter zake van – kort gezegd – diefstal in vereniging en witwassen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
6 november 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing ten aanzien van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de op te leggen betalingsverplichting komt dan de rechtbank.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De raadsvrouw heeft afwijzing van de vordering bepleit, aangezien de betrokkene enige diefstal ontkent en voorts ook ontkent dat de door hem verkochte goederen van misdrijf afkomstig waren.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van € 18.859,62 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft in de onderliggende strafzaak alleen bewezenverklaard de diefstal in vereniging van acht accuschroefboormachines van het merk Bosch uit de [winkel01] in Amsterdam op 28 december 2016. Blijkens de aangifte van de [winkel01] gaat het om accuschroefboormachines van het merk Bosch, type Gsr 18-2-li. De nieuwwaarde van deze accuschroefboormachines bedroeg blijkens de aangifte € 159,04 per stuk. Blijkens het digitaal opkopersregister heeft de betrokkene op 10 januari 2017 twee boormachines van dit type ter verkoop aangeboden bij [winkel02] . Daarvoor heeft hij per boormachine een bedrag van € 120,00 ontvangen. Het hof schat daarom, in het voordeel van de betrokkene, de waarde van alle door de betrokkene gestolen boormachines op € 120,00 per stuk, dat wil zeggen een totaal bedrag van € 960,00.
Nu bewezen is verklaard in de strafzaak dat de betrokkene de diefstal in vereniging met zijn broer heeft begaan en voorts aannemelijk is dat de opbrengsten van die diefstal tussen de beide broers zal zijn verdeeld, zal het hof, bij gebrek aan nadere gegevens hierover, uitgaan van een pondspondsgewijze verdeling en de helft van het voordeel aan de betrokkene toerekenen. Daarmee komt het wederrechtelijk verkregen voordeel op € 480,00.

Verplichting tot betaling aan de Staat

Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 480,00.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van €
480,00 (vierhonderdtachtig euro).
Legt de betrokkene de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 480,00 (vierhonderdentachtig euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 9 dagen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.L. Bruinsma, mr. A.M. Koolen-Zwijnenburg en mr. B.E. Dijkers, in tegenwoordigheid van mr. R. Vosman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
20 november 2023.
mr. R. Vosman is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.