Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2023:2925

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 november 2023
Publicatiedatum
1 december 2023
Zaaknummer
23-001601-23
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 242 SrArt. 63 SrArt. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging hoger beroep in zaak seksueel binnendringen met aanvullende strafmotivering

Het gerechtshof Amsterdam heeft op 21 november 2023 het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 mei 2023 in een zaak van seksueel binnendringen. De verdachte werd beschuldigd van het met de hand binnendringen van de vagina van het slachtoffer. Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank, met enkele wijzigingen in de bewijsmiddelen en strafmotivering.

De aangeefster verklaarde dat de verdachte met zijn hand in haar broek en vervolgens tussen haar schaamlippen ging, waarbij ook de clitoris werd aangeraakt. Het hof achtte deze verklaringen betrouwbaar en voldoende ondersteund door andere bewijsmiddelen, waaronder een getuigenverklaring. Het hof oordeelde dat het aanraken met vingers tussen de binnenste en buitenste schaamlippen en de clitoris valt onder seksueel binnendringen zoals bedoeld in artikel 242 Sr Pro.

De verdediging voerde ontoerekeningsvatbaarheid aan, maar het hof verwierp dit verweer wegens gebrek aan feitelijke grondslag, mede op basis van een Pro Justitia rapport van een GZ-psycholoog. Het hof nam ook het reclasseringsadvies mee, waarin werd aangegeven dat de verdachte psychiatrisch instabiel is en een hoog recidiverisico vertoont. Daarom achtte het hof het noodzakelijk om bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijke deel van de straf te verbinden en stelde het de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan vast.

Het hof besloot het vonnis van de rechtbank te bevestigen, het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen zodra de duur van de voorlopige hechtenis gelijk is aan de opgelegde straf en bracht enkele aanpassingen aan in de bewijsmiddelen en strafmotivering. De straf blijft een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar.

Uitkomst: Het hof bevestigt de gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, en wijzigt de strafmotivering met aanvullende overwegingen.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001601-23
datum uitspraak: 21 november 2023
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 mei 2023 in de strafzaak onder parketnummer 13-306380-22 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1984,
thans gedetineerd in het [detentieadres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
7 november 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair en onder
2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden met aftrek van voorarrest, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren onder de voorwaarden zoals opgelegd door de rechtbank. Tevens heeft de advocaat-generaal de dadelijke uitvoerbaarheid van de te stellen voorwaarden gevorderd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof:
  • een wijziging aanbrengt in de in bijlage 2 van het vonnis gebezigde bewijsmiddelen, inhoudende dat bewijsmiddel 8 komt te vervallen;
  • wijzigingen aanbrengt in de bewijsmotivering onder 4.3. van het vonnis, inhoudende dat de laatste alinea onder ‘
  • het in hoger beroep gedane beroep op (kort gezegd) ontoerekeningsvatbaarheid bespreekt;
  • de toepasselijke wettelijke voorschriften aanvult met artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr);
  • een wijziging aanbrengt in de strafmotivering, inhoudende dat het hof deze motivering aanvult met de hierna vermelde overwegingen.

Aanvullende bewijsoverweging

Aangeefster heeft verklaard dat de verdachte met zijn hand in haar broek/string ging en vervolgens een soort rukbeweging maakte om bij haar vagina te komen. Zij voelde dat hij over haar venusheuvel verder ging naar haar vagina. Vervolgens voelde zij dat hij met zijn vingers tussen haar buitenste en binnenste schaamlippen ging en aan haar clitoris zat.
Met de rechtbank ziet het hof geen reden om aan de verklaringen van aangeefster te twijfelen en is het van oordeel dat deze verklaringen niet op zichzelf staan, maar voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van de getuige [getuige] .
Het hof is bovendien van oordeel dat bij het brengen van vingers tussen de buitenste en binnenste schaamlippen en het (daarbij) aanraken van de clitoris sprake is van het seksueel binnendringen van het lichaam zoals bedoeld in artikel 242 Sr Pro. Dit mede gezien de ernst van de inbreuk op de seksuele integriteit (vgl. HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2653, NJ 2013/437).

Beroep op ontoerekeningsvatbaarheid

De raadsman heeft verzocht de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging wegens zijn ontoerekeningsvatbaarheid dan wel ernstige verminderde toerekenvatbaarheid.
Het hof verwerpt dit verweer bij gebrek aan feitelijke grondslag. In het bijzonder in het Pro Justitia rapport van GZ-psycholoog [psycholoog] van 29 maart 2023 kan geen steun worden gevonden voor de stelling dat het bewezenverklaarde de verdachte niet kan worden toegerekend.

Aanvullende strafmotivering

In het in het kader van het hoger beroep over de verdachte opgemaakte reclasseringsadvies van GGZ Fivoor [plaats] van 6 november 2023 schrijft de reclassering dat de verdachte bij binnenkomst in het [detentieadres] op 21 juli 2023 een afglijdend psychiatrisch beeld liet zien. Na stabilisatie is hij uiteindelijk geplaatst op een Extra Zorg Voorziening. Tot op heden laat hij af en aan verward gedrag zien. Het afdelingspersoneel komt niet in contact met hem en de verdachte – die de Nederlandse taal niet machtig is – is daarom moeilijk te sturen. Ook heeft de verdachte in de laatste drie maanden tweemaal een positieve urinecontrole gehad, waarbij hij positief scoorde op het gebruik van cannabis.
De reclassering concludeert dat het eerder opgestelde plan van aanpak nog steeds geïndiceerd is. Er is tot op heden sprake van instabiliteit op alle leefgebieden. De problematiek van de verdachte lijkt onverminderd aanwezig. Zonder tussenkomst van interventies schat de reclassering het risico op recidive in als onverminderd hoog. Tevens adviseert de reclassering een dadelijke uitvoerbaarheid, omdat de kans op een misdrijf met schade voor personen aanwezig is. Het rapport van 6 november 2023 houdt voorts het volgende in:
“Ten tijde van het opstellen van de rapportage ten behoeve van de zitting in eerste aanleg, is betrokkene toe geleid naar [instelling 1] , in het kader van een langdurige klinische opname. (…) Betrokkene staat tot op heden op de wachtlijst (…).
Hoelang het duurt tot betrokkene kan worden opgenomen weten wij nog niet en is afhankelijk van zijn definitieve einddatum detentie en de wachtlijsten op dat moment. Gezien de hoge aanwezige risico’s vinden wij een opname aansluitend op zijn detentie geïndiceerd. Indien er ten tijde van de einddatum detentie van betrokkene geen plek is bij [instelling 1] , kan het [instelling 2] zorgen voor overbruggingszorg.”
Het hof acht, met de rechtbank, noodzakelijk dat de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijk strafdeel worden verbonden. Tevens acht het hof de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan aangewezen. Het hof stelt in dat verband vast dat de bewezenverklaarde feiten misdrijven betreffen die zijn gericht tegen of gevaar hebben veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en overweegt dat gelet op de bij de verdachte geconstateerde persoonlijkheidsproblematiek, er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de (tenuitvoerlegging van de) straf
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Lolkema, mr. M.L.M. van der Voet en mr. S. Jongeling,
in tegenwoordigheid van mr. P. de Haas, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 21 november 2023.