Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
- [de vader] (hierna: de vader);
- de na te noemen minderjarige [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] );
- de na te noemen minderjarige [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ).
Gerechtshof Amsterdam
De zaak betreft de verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen bij hun vader, nadat zij in maart 2021 met spoed uit huis werden geplaatst wegens vermoedens van huiselijk geweld bij de moeder. De kinderen staan sinds 2019 onder toezicht van een gecertificeerde instelling (GI). De moeder is het niet eens met de verlenging en stelt dat de uithuisplaatsing juridisch overbodig is en dat de kinderen veilig bij haar kunnen opgroeien.
Het hof overweegt dat de GI terecht haar verzoek baseert op artikel 1:265b BW, omdat de zorgregeling tussen moeder en kinderen nog in beweging is en er geen hoofdverblijfplaats is vastgesteld. De moeder weigert echter medewerking aan het delen van informatie over haar psychische gesteldheid, waardoor de GI geen zicht heeft op haar situatie. Hoewel de zorgregeling met de moeder goed verloopt, zijn er zorgen over haar emotie-regulatie bij langere verblijven.
De vader betwist zorgen over zijn opvoedsituatie en stelt dat de kinderen zich goed ontwikkelen bij hem. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert de beschikking te bekrachtigen en benadrukt dat de kinderen rust nodig hebben totdat duidelijkheid bestaat over hun uiteindelijke perspectief. Het hof volgt dit advies en bekrachtigt de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader, omdat dit in het belang is van de verzorging en opvoeding van de kinderen.
Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader wordt verlengd tot 28 maart 2023.