ECLI:NL:GHAMS:2023:314
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing hoger beroep tegen ongegrond verklaard verzet in gerechtsdeurwaarderszaak
Klager heeft hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders waarin zijn verzet tegen een eerdere afwijzing van een klacht ongegrond is verklaard. De kamer had de klacht van klager eerder als kennelijk ongegrond afgewezen en het verzet hiertegen eveneens ongegrond verklaard.
Het hof overweegt dat artikel 39 lid 4 van Pro de Gerechtsdeurwaarderswet een appelverbod inhoudt tegen beslissingen van de kamer op verzet, tenzij zeer bijzondere omstandigheden aanwezig zijn waarbij fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden. Klager stelde dat de kamer onvoldoende rekening had gehouden met door hem ingediende kadastrale splitsingsstukken, wat volgens hem een schending van fundamentele rechtsbeginselen zou zijn.
Het hof oordeelt dat het oordeel van de kamer over de stukken niet onredelijk is en dat er geen aanwijzingen zijn dat de kamer deze stukken buiten beschouwing heeft gelaten. Ook is er geen sprake van een schending van fundamentele rechtsbeginselen die een doorbreking van het appelverbod rechtvaardigt. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de beslissing van de kamer is afgewezen wegens appelverbod op grond van artikel 39 lid 4 Gerechtsdeurwaarderswet.