ECLI:NL:GHAMS:2023:3394

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
30 oktober 2023
Publicatiedatum
19 december 2023
Zaaknummer
23-000881-23
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 23 SrArt. 24 Sr
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen geldboete en schadevergoeding in strafzaak

In hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis bevestigd, behalve ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissing over de vordering van de benadeelde partij. De verdachte is veroordeeld tot een geldboete van 750 euro, waarvan 500 euro voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast is een schadevergoedingsmaatregel getroffen waarbij een bedrag van €1.573,11 aan de benadeelde partij wordt toegekend, bestaande uit materiële en immateriële schade.

De vordering van de benadeelde partij is gedeeltelijk toegewezen tot het genoemde bedrag, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 19 oktober 2020 tot aan de dag van voldoening. De overige vorderingen van de benadeelde partij zijn afgewezen. De verdachte is tevens veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en nog zal maken ten behoeve van de tenuitvoerlegging, begroot op nihil tot de datum van uitspraak.

De geldboete wordt bij niet-betaling vervangen door een hechtenis van 15 dagen, waarvan 10 dagen voor het niet-voorwaardelijke deel. De proeftijd geldt onder de voorwaarde dat de verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit gedurende twee jaar. Het hof heeft de duur van gijzeling vastgesteld op maximaal 25 dagen, waarbij de verplichting tot schadevergoeding niet wordt opgeheven door toepassing van gijzeling.

De verdachte en de advocaat-generaal hebben ter terechtzitting afstand gedaan van het recht om beroep in cassatie in te stellen. Het arrest is gewezen door mr. A.R.O. Mooy, in aanwezigheid van de griffier.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot een geldboete van 750 euro, waarvan 500 euro voorwaardelijk, en moet een schadevergoeding van €1.573,11 betalen aan de benadeelde partij.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer eerste aanleg : 15-257755-21
parketnummer hoger beroep : 23-000881-23
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam, enkelvoudige strafkamer, van 30 oktober 2023 gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 14 maart 2023 in de zaak tegen de verdachte:
naam:
[verdachte01]
voornamen: [verdachte01]
geboren: op [geboortedatum01] 1972 te [geboorteplaats01] ( [geboorteland01] )
adres: [adres01] .

Toepasselijke wettelijke voorschriften

de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 36f, 57, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissing omtrent de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
15 (vijftien) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot
€ 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
10 (tien) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij01]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij01] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 1.573,11 (duizend vijfhonderddrieënzeventig euro en elf cent) bestaande uit € 823,11 (achthonderddrieëntwintig euro en elf cent) materiële schade en € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij01] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.573,11 (duizend vijfhonderddrieënzeventig euro en elf cent) bestaande uit € 823,11 (achthonderddrieëntwintig euro en elf cent) materiële schade en € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 25 (vijfentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 19 oktober 2020.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Gewezen door mr. A.R.O. Mooy, in bijzijn van mr. S. Maerman, griffier.
mr. A.R.O. Mooy
De verdachte en de advocaat-generaal hebben ter terechtzitting afstand gedaan van het recht beroep in cassatie in te stellen.