ECLI:NL:GHAMS:2023:345
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Schorsing gerechtsdeurwaarders wegens bewaringstekort en niet-naleving administratieverplichtingen
Het gerechtsdeurwaarderskantoor [bedrijf] is in 2020 failliet verklaard, waarna het Bureau Financieel Toezicht (BFT) onderzoek deed naar de bewaringspositie en het faillissement. Het BFT constateerde een bewaringstekort over de periode eind september 2019 tot eind mei 2020 en dat de gerechtsdeurwaarders niet voldeden aan hun administratieverplichtingen.
De gerechtsdeurwaarders gingen in hoger beroep tegen een eerdere beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders, waarin zij schorsingen en een kostenveroordeling kregen opgelegd. Het hof bevestigde dat het bewaringstekort bestond en dat de gerechtsdeurwaarders in strijd met artikel 19 van Pro de Gerechtsdeurwaarderswet handelden. De vaststellingsovereenkomst met opdrachtgever Intrum Nederland B.V. veranderde hieraan niets.
Het hof oordeelde echter dat de klacht over de administratieverplichtingen onvoldoende was onderbouwd en verklaarde dit onderdeel ongegrond. Gezien de omstandigheden en het feit dat de gerechtsdeurwaarders het tekort uiteindelijk aanzuiverden, legde het hof een lichtere maatregel op: een schorsing van één maand voor elk van de drie gerechtsdeurwaarders, met gespreide aanvangsdata. De eerdere kostenveroordeling in hoger beroep werd vernietigd.
Uitkomst: Schorsing van één maand opgelegd aan drie gerechtsdeurwaarders wegens bewaringstekort; klacht over administratieverplichtingen ongegrond verklaard.