In deze arbeidsrechtelijke zaak stond de vordering van de geïntimeerde tot betaling van achterstallig loon en niet genoten vakantiedagen centraal. Het geschil betrof de toepasselijke cao AGF, het functieprofiel van de geïntimeerde als versadviseur en de berekening van het verschuldigde brutoloon over de periode van januari 2014 tot en met augustus 2018.
Het hof bevestigde dat de geïntimeerde als versadviseur profiel B was aangesteld en wees het verzoek van appellanten om dit te wijzigen af. Het hof nam de door geïntimeerde aangevoerde functielonen conform de cao AGF als uitgangspunt en verwierp een latere wijziging van de grondslag betreffende de werkweekuren. Vervolgens stelde het hof vast dat appellanten bruto betalingen hadden gedaan die grotendeels overeenkwamen met die van geïntimeerde, en wees de hogere bedragen van appellanten af wegens onvoldoende onderbouwing.
Met betrekking tot de niet genoten vakantiedagen werd vastgesteld dat geïntimeerde recht had op nabetaling van 61,9 uur, gewaardeerd tegen het uurloon vermeerderd met 8% vakantietoeslag. Het hof kende de wettelijke rente en een wettelijke verhoging van 10% toe. Het eerdere vonnis werd gedeeltelijk vernietigd en het hof veroordeelde appellanten hoofdelijk tot betaling van € 17.910,95 bruto achterstallig loon en € 776,82 bruto voor niet genoten vakantiedagen, met rente en verhoging. De proceskosten werden bekrachtigd en de kosten van hoger beroep werden gecompenseerd.