Uitspraak
1.Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
2.Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging
- i) [verdachte] maakte deel uit van een criminele organisatie die zich bezig hield met de grootschalige invoer van en handel in cocaïne;
- ii) die organisatie bestond in de kern uit [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [persoon 1] , [medeverdachte 3] en hemzelf;
- iii) [verdachte] is naar aanleiding van het onderzoek 26Sartell vervolgd voor deelneming aan deze criminele organisatie en onherroepelijk veroordeeld;
- iv) [persoon 1] heeft heel veel geld dat met de drugshandel is verdiend gestolen;
- v) [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [verdachte] hebben geprobeerd dat geld terug te halen wat, mede naar aanleiding van de liquidatie van [medeverdachte 2] (volgens [verdachte] in opdracht van [persoon 1] ), resulteerde in (voorgenomen) geweld;
- vi) dit is niet gedaan door een andere organisatie maar, in opdracht van [medeverdachte 1] , door (met name) [medeverdachte 3] , die er in zoverre een taak bij kreeg en waarvoor hij zelf een aantal anderen heeft ingeschakeld;
- vii) dit laat onverlet dat de in 26Douglasville ten laste gelegde criminele organisatie bestaat uit dezelfde kerndeelnemers, te weten: [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [verdachte] ;
- viii) er zijn bovendien overeenkomstige periodes ten laste gelegd;
- ix) en er is geen verschil in gedragingen van de verdachte op grond waarvan zijn deelneming aan de criminele organisatie kan worden bewezen;
- x) het bewijs is bovendien grotendeels afkomstig uit dezelfde bron, namelijk EncroChat-berichten en is in zowel het dossier 26Sartell als (grotendeels) in het dossier 26Douglasville opgenomen.
- i) sprake is geweest van een organisatie;
- ii) deze organisatie als oogmerk had het plegen van misdrijven;
- iii) het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als deelneming aan deze organisatie.
hoevendan ook, zoals door de verdediging is benadrukt, niet nader te worden geconcretiseerd in de tenlastelegging. Dat betekent echter niet dat het Openbaar Ministerie er ook niet voor
magkiezen om de beoogde misdrijven te specificeren in de tenlastelegging om in zoverre het oogmerk van de ten laste gelegde criminele organisatie te begrenzen. De tenlastelegging krijgt dan een meer ‘accessoir karakter’. Het standpunt van de verdediging dat de wetsgeschiedenis zich hiertegen verzet, deelt het hof niet. Dat is niet uitdrukkelijk als bedoeling van de wetgever geformuleerd en bovendien in strijd met het volgende.
moetenspecificeren en dus begrenzen. Dat volgt om te beginnen uit de wettelijke systematiek, waar in aanvulling op de deelname aan de ‘algemene’ criminele organisatie (artikel 140 Sr Pro) ook de deelname aan de terroristische organisatie (artikel 140a Sr) en de deelname aan de criminele Opiumwetorganisatie (artikel 11b Ow) strafbaar zijn gesteld. De deelname aan deze organisaties kan naast elkaar, zoals bij herhaling gebeurt bij 140 Sr- en 11b Ow-organisaties, maar ook afzonderlijk ten laste worden gelegd. Bij dergelijke vervolgingen moeten de misdrijven waarop het oogmerk van de organisaties is gericht logischerwijs nader worden omschreven. Dat zelfde geldt in het geval het Openbaar Ministerie een verdachte wil vervolgen, zoals hiervoor onder het kopje ‘Juridische aard van de feiten’ is toegelicht’ voor deelname aan een criminele organisatie die als oogmerk heeft het plegen van feiten waarop twaalf jaar of meer gevangenisstraf staat (artikel 140, derde lid, Sr). Ook dan zal het oogmerk dus nader gespecificeerd moeten worden door in de tenlastelegging te vermelden welke misdrijven de organisatie beoogde te plegen.
ne bis in idemals ongeschreven beginsel van een goede procesorde, het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging en het vertrouwensbeginsel.
ne bis in idemis overwogen vloeit naar het oordeel van het hof voort dat geen sprake is van aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing die meebrengt dat een (verdere) vervolging onverenigbaar is met het verbod van willekeur. Er waren juist goede redenen de vervolging naar aanleiding van 26Sartell te scheiden van de vervolging naar aanleiding van 26Douglasville, ook al bestond er een zeker verband tussen beide zaken. Ook overigens valt uit hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht een aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing niet af te leiden. In zoverre wordt het verweer verworpen. Voor zover het verweer gestoeld is op schending van
ne bis in idemals ongeschreven beginsel van een goede procesorde, treft dit hetzelfde lot.
3.Onderzoek van de zaak
4.Tenlastelegging
- moord (artikel 289 Wetboek Pro van Strafrecht),
- opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving (artikel 282 Wetboek Pro van Strafrecht),
- gijzeling (artikel 282a Wetboek van Strafrecht)
- afpersing in vereniging, althans afpersing (artikel 317 jo Pro. 312, tweede lid, onder 2, Wetboek van Strafrecht),
- zware mishandeling met voorbedachten rade (artikel 302 jo Pro. 303 Wetboek van Strafrecht),
- opzetheling (artikel 416 Wetboek Pro van Strafrecht) en/of
- het voorhanden hebben van een of meer vuurwapens (artikel 26 jo Pro. 55 Wet Wapens en Munitie).
5.Vonnis waarvan beroep
6.Beoordeling van het bewijs
hoe zelf chloroform maken’, waarna een website werd bezocht met de titel ‘
Raak je snel bewusteloos als iemand je een doek met een chloroform voor je mond en neus drukt?’. Vervolgens is een website bezocht met de titel ‘
Wanneer raak je bewusteloos?’, gevolgd door de vraag op dezelfde website met de titel ‘
Waar kan ik chloroform kopen?’. Voorts is met de Samsung S10+ gezocht op een website met de titel ‘
Waar kan ik droogijs kopen?’. Hierna werd een website bezocht waarop diverse soorten gassen kunnen worden besteld, waaronder droogijs. Daarnaast werd er een website bezocht met de titel ‘
Waar kan ik Natriumacetaat kopen?’, waarna wederom werd gezocht op de zoekvragen ‘
hoe zelf chloroform Maken’, ‘
waar kan ik chloroform kopen’, ‘
Raak je snel bewusteloos als iemand je een doek met een chloroform voor je mond en neus drukt?’ en ‘
hoe kan ik aan chloroform komen?’.
.Het hof wijst daarbij in het bijzonder op de berichten van 2 april 2020, waarin wordt geschreven over 15 miljoen euro die moeten worden teruggepakt; als [medeverdachte 3] ‘die hond’ op de stoel heeft zal er meer (het hof begrijpt: geld) volgen.
[persoon 1]op de stoel had gezet’. Ook wordt letterlijk het woord ‘dood gebruikt’, wanneer [medeverdachte 2] schrijft ‘maat jou doel is mijn doel ik ga ook pas dood als hun dood zijn en wanneer [medeverdachte 3] aan [verdachte] schrijft ‘ze moeten dood tot hun hond toe’ en [verdachte] antwoordt ‘alles maat’. Ook [medeverdachte 1] gebruikt het woord ‘dood’ letterlijk wanneer hij schrijft ‘heel de groep moet dood en de familie mag ook’. Veelzeggend is ook de berichtenwisseling tussen [medeverdachte 1] en [EncroChatnaam 19] kort na de liquidatie van [medeverdachte 2] , waarbij gesproken wordt over het regelen van wapens en ‘hitters’ waarmee [medeverdachte 1] de persoon die hij als tegenstander beschouwt en verantwoordelijk houdt voor de liquidatie van [medeverdachte 2] wil laten ombrengen. Dat niet blijkt dat deze misdrijven daadwerkelijk zijn gepleegd, is voor de bewezenverklaring van het oogmerk van de tenlastegelegde criminele organisatie niet relevant.
7.Bewezenverklaring
- moord (artikel 289 Wetboek Pro van Strafrecht),
- opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving (artikel 282 Wetboek Pro van Strafrecht),
- gijzeling (artikel 282a Wetboek van Strafrecht)
- afpersing in vereniging, althans afpersing (artikel 317 jo Pro. 312, tweede lid, onder 2, Wetboek van Strafrecht),
- zware mishandeling met voorbedachten rade (artikel 302 jo Pro. 303 Wetboek van Strafrecht),
- opzetheling (artikel 416 Wetboek Pro van Strafrecht) en
- het voorhanden hebben van een of meer vuurwapens (artikel 26 jo Pro. 55 Wet Wapens en Munitie).
8.Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
9.Strafbaarheid van de verdachte
ne bis in idem) is overwogen volgt dat de gedragingen van de verdachte, en die van de criminele organisatie daaronder begrepen, juist niet een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleverden. Anders dan de verdediging aan het betoog ten grondslag heeft gelegd is er geen sprake van een eenheid van tijd, plaats, gedragingen, personen en hun rol in de organisatie. En zeker geen eenheid op grond waarvan moet worden vastgesteld dat in 26Sartell en 26Douglasville sprake was van in essentie hetzelfde feitencomplex. Het hof wijst verder nog op hetgeen de rechtbank Rotterdam in het vonnis 26Sartell heeft vastgesteld ten aanzien van de rol van de verdachte in die bewezen verklaarde criminele organisatie:
in het buitenland verbleef. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte kennelijk als de directe plaatsvervanger van [medeverdachte 1] wordt beschouwd wanneer die niet in Nederland was of even op de achtergrond wilde blijven.
10.Oplegging van straf
‘in de stoel heeft gezeten’, zoals dat onderling met elkaar is besproken. Het hof begrijpt daaruit, in het licht van de overige omstandigheden van deze zaak, dat ‘ [persoon 1] ’ op niet al te zachtzinnige wijze te verstaan is gegeven dat hij het geld moest teruggeven. Uiteindelijk heeft men hem laten gaan. Net als het
‘ventje van 900k’dat kennelijk ook enige tijd van zijn vrijheid was beroofd. Tegen deze achtergrond, waarvan de verdachte minst genomen goed op de hoogte was, zijn de bewezenverklaarde gedragingen van de verdachte nog schokkender, omdat duidelijk is dat men niet terug deinsde voor de daadwerkelijke uitoefening van geweld tegen personen.
‘oorlog’. En daarbij zijn alle denkbare grenzen overschreden.
op te halen en af te leveren’, ook wel geduid als het
‘AT hoofdkwartier’, waarna ze vervolgens in de loods in Wouwse Plantage tegen hun wil konden worden vastgehouden. In die laatste loods stonden zeven zeecontainers waarvan er zes waren ingericht voor een langdurig verblijf van de beoogde slachtoffers. Het was mogelijk om personen vast te ketenen, met de handen en voeten geboeid, waarbij zij dan in staande positie van een chemisch toilet gebruik zouden moeten maken. De containers waren voorzien van camera’s en geluidsisolerend materiaal zodat ‘
ze kunnen schreeuwen’, maar daarvan niets te horen zou zijn. Veelzeggend werd deze loods door de verdachten ook wel
‘ebi 2.0’genoemd, daarmee zonder twijfel verwijzend naar de Extra Beveiligde Inrichting in Vught.
‘behandelkamer’met een tandartsstoel waarvan de armleuningen en een voetsteun waren voorzien van riemen, banden en de voetsteun ook van boeien. Deze ‘behandelkamer’, was – mede gelet op de aangetroffen scalpels, zagen en (knip)tangen – geschikt voor het martelen, in elk geval voor het toebrengen van pijn en ernstig letsel. In onderlinge communicatie is ook letterlijk over het martelen van personen gesproken. De ‘behandelkamer’ was ten tijde van het ingrijpen door politie en justitie voor direct gebruik gereed.
‘Soa zegt even busje caddy en auto halen’. De verdachte voegde daaraan toe dat hij wil dat het op naam van een
‘goede katvanger’wordt gedaan. Hij dacht ook mee over hoe het gezamenlijk doel kon worden bereikt en welke risico’s er speelden. Zo heeft [medeverdachte 1] op 2 april 2020 aan [verdachte] laten weten
‘we komen steeds dichter bij zwager’(een doelwit van de organisatie), ‘
hun ook bij [bijnaam 2] ’( [medeverdachte 2] )
en ‘bij jou’(de verdachte). De verdachte antwoordt
‘als zwager binnen is komen we een heel eind’. Ook bespreken ze het vermoeden dat ‘
h1 dubbelspel speelt’. Dat hij een beperkte rol had, zoals door de verdediging is gesteld, deelt het hof gelet op het voorgaande en de overige inhoud van de bewijsmiddelen niet. En hoewel het hof wel wil aannemen dat een deel van de berichten via het EncroChat-account van de verdachte door [medeverdachte 1] zijn verstuurd, geldt dit niet voor alle berichten. Bovendien heeft de verdachte – die daartoe zijn telefoon ter beschikking stelde – zelf verklaard dat hij berichten van [medeverdachte 1] die betrekking hadden op voorgenomen geweldsdelicten heeft gelezen en ook wel eens een bericht voor [medeverdachte 1] heeft verstuurd. Hij was dus op de hoogte was van de inhoud van de berichten en daarmee de bedoelingen van andere deelnemers aan de criminele organisatie.
‘Van kids was ik geen voorstander’, Schijt wollah die kids mogen ook’ en ‘Jaa ze wijf en kind is geen hogere wiskunde he’. Vrouwen en kinderen zouden dus niet worden gespaard om het doel te bereiken. De politie heeft de berichten, terecht, zo serieus genomen dat op enig moment de vrouw en het kind van een beoogd doelwit zijn gewaarschuwd.
standby moesten staan’, ‘want bezoek gaat komen’, tot aanhouden is overgegaan.
11.Toepasselijke wettelijke voorschriften
12.BESLISSING
gevangenisstrafvoor de duur van
7 (zeven) jaren.