ECLI:NL:GHAMS:2023:352
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over verdeling zorg- en opvoedingstaken en hoofdverblijfplaats minderjarige
De vrouw kwam in hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank waarin de hoofdverblijfplaats van hun minderjarige kind bij de man was vastgesteld en een zorgregeling was vastgesteld.
De vrouw deed voor het eerst in hoger beroep een zelfstandig verzoek tot verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats bij haar. Het hof oordeelde dat zij ontvankelijk is in haar verzoek over de zorg- en opvoedingstaken vanwege de ruime ambtshalve bevoegdheid van de rechter volgens artikel 1:253a BW, maar niet ontvankelijk voor het verzoek over de hoofdverblijfplaats, omdat dit verzoek slechts kan worden toegewezen of afgewezen en niet ambtshalve kan worden ingevuld.
De vrouw stelde dat de zorgregeling niet evenwichtig was en niet in het belang van het kind, omdat zij minder tijd met het kind doorbracht. De man vond de regeling evenwichtig en passend bij hun werkroosters. De Raad voor de Kinderbescherming gaf aan dat het kind veilig gehecht is aan beide ouders en dat het aantal wisselingen minder zwaar weegt zolang de ouders het contact gunnen.
Het hof concludeerde dat het goed gaat met het kind bij beide ouders en dat de bestaande regeling een evenwichtige verdeling van nachten en weekenden biedt. Het verzoek van de vrouw tot wijziging van de zorgregeling werd afgewezen. De beschikking van de rechtbank werd bekrachtigd, met de kanttekening dat partijen vrij zijn onderling andere afspraken te maken.
Uitkomst: De vrouw is ontvankelijk in haar verzoek over de zorg- en opvoedingstaken, niet-ontvankelijk voor het verzoek over de hoofdverblijfplaats; de beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd voor de zorgregeling.