De verdachte werd in eerste aanleg vrijgesproken van het telen en bewerken van hennep, maar het hoger beroep richtte zich ook tegen deze vrijspraak. Het hof verklaarde haar niet-ontvankelijk voor zover het hoger beroep tegen de vrijspraak was gericht, omdat de wet dit niet toestaat.
Op 21 augustus 2019 werd in de woning van de verdachte een hennepkwekerij met 166 planten aangetroffen. De verdachte wist van de kwekerij en had als huurder en hoofdbewoonster beschikkingsmacht over de woning. Hoewel zij zelf geen handelingen had verricht die duidden op medeplegen van telen, was zij wel opzettelijk aanwezig hebben van de hennepplanten schuldig.
Het hof oordeelde dat de verdachte medepleegde door bewust de planten wekenlang te laten staan, terwijl zij deze had kunnen verwijderen. Gelet op de professionele opzet van de kwekerij en de hoeveelheid hennep, was sprake van handel met softdrugs bestemd voor verkoop. De verdachte nam geen verantwoordelijkheid voor haar handelen.
De straf werd vastgesteld op een taakstraf van 60 uren en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van twee jaar. De overschrijding van de redelijke termijn werd erkend, maar leidde niet tot strafvermindering. De verdachte werd vrijgesproken van overige tenlasteleggingen.