Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in Alkmaar, waarin verdachte werd veroordeeld wegens het verblijf in Nederland ondanks een inreisverbod. De tenlastelegging betrof het feit dat verdachte op 16 april 2021 in Zaandijk verbleef terwijl hij wist dat tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd op grond van de Vreemdelingenwet 2000.
De verdediging voerde meerdere verweren aan, waaronder dat het inreisverbod onrechtmatig was en dat het verblijfsrecht van verdachte al op dat moment bestond, waardoor vervolging niet opportuun zou zijn. Het hof verwierp deze verweren na zorgvuldige motivering, waarbij werd benadrukt dat het inreisverbod voldoende was gemotiveerd en dat het latere verblijfsrecht geen terugwerkende kracht had op het inreisverbod.
Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, maar sprak hem vrij van overige tenlasteleggingen. Gezien de ernst van het feit, de eerdere veroordelingen van verdachte en zijn huidige situatie, legde het hof een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand op met een proeftijd van twee jaar. De overschrijding van de redelijke termijn werd erkend, maar zonder gevolgen vanwege de beperkte aard van de straf.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 27 december 2023.