In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 2 juli 2019 heroverwogen in een zaak waarin de verdachte werd beschuldigd van het aanwezig hebben en vervoeren van een grote hoeveelheid verdovende middelen en witwassen. De verdachte, die geen verweer voerde tegen de feiten, werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk en een taakstraf van 240 uur.
Het hof vernietigde het vonnis voor wat betreft de kwalificatie en strafoplegging en kwam tot een andere bewijsconstructie, waarbij het voorwaardelijk opzet aannam. Het hof achtte bewezen dat de verdachte met haar toenmalige partner de drugs en een groot geldbedrag uit een woning had opgehaald en vervoerd, zonder dat duidelijk was wat zij ermee wilden doen. De verdachte had een blanco strafblad en had zich sinds de feiten goed weten te handhaven in de maatschappij.
Gezien de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd, legde het hof een taakstraf van 400 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden met een proeftijd van 2 jaar op. Het hof hield rekening met de overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke situatie van de verdachte, waardoor geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf werd opgelegd.
Daarnaast werd verbeurdverklaring van het in beslag genomen geld en goederen gelast en werd het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven. Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 6 juli 2023.