De verdachte werd in eerste aanleg vrijgesproken voor een deel van de tenlastelegging omtrent bezit en vervoer van verdovende middelen, waaronder circa 77 kilogram MDMA. Het hof verklaart hem niet-ontvankelijk voor het hoger beroep tegen deze vrijspraak wegens wettelijke beperkingen.
Het hof bevestigt de vrijspraak voor die onderdelen, maar vernietigt het vonnis voor wat betreft de kwalificatie en strafoplegging van het bewezenverklaarde omtrent medeplegen bezit en vervoer van de drugs. Uit observaties en verklaringen blijkt dat verdachte samen met zijn toenmalige vriendin in nauwe en bewuste samenwerking de drugs heeft vervoerd en voorhanden gehad, ondanks zijn ontkenningen en tegenstrijdige verklaringen.
De strafoplegging houdt rekening met de ernst van het feit, het gewicht van de drugs, de persoonlijke omstandigheden van verdachte, en de overschrijding van de redelijke termijn. Het hof legt een taakstraf van 200 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden met een proeftijd van 2 jaar op. De verdachte heeft sinds de voorlopige hechtenis een stabiel bestaan opgebouwd en is vader geworden, wat meeweegt in de strafmaat.
De redelijke termijn is met bijna twee jaar overschreden, hetgeen in de strafmaat is verdisconteerd. Het hof heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op en bevestigt het overige vonnis van de rechtbank.