ECLI:NL:GHAMS:2023:3758

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
13 april 2023
Publicatiedatum
30 juni 2024
Zaaknummer
23-004207-19
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 404 SvArt. 422 SvArt. 511g Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep tegen afwijzing ontnemingsvordering bij dierengevechten

Het openbaar ministerie had in eerste aanleg gevorderd dat betrokkene een geldbedrag van €1.645,00 aan de Staat zou betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Betrokkene was veroordeeld voor medeplegen van dierengevechten, het zonder redelijk doel pijn en letsel veroorzaken bij dieren en het verrichten van handelingen met diergeneesmiddelen. De rechtbank Amsterdam wees de ontnemingsvordering af. Betrokkene stelde hoger beroep in tegen zowel de strafvonnis als de afwijzing van de ontnemingsvordering.

Het gerechtshof bevestigde bij arrest van 13 april 2023 het vonnis van de rechtbank, met uitzondering van de opgelegde straffen. Het hoger beroep richtte zich tegen de afwijzing van de ontnemingsvordering. Het hof oordeelde dat op grond van artikel 511g Sv en artikel 404 Sv Pro tegen een afwijzing van een ontnemingsvordering geen hoger beroep openstaat, zodat betrokkene niet-ontvankelijk moest worden verklaard.

De uitspraak werd gedaan na behandeling van het hoger beroep op 8 en 30 maart 2023. De economische kamer van het gerechtshof Amsterdam wees het hoger beroep af wegens niet-ontvankelijkheid. De uitspraak werd gedaan in aanwezigheid van de griffier en drie rechters, waarvan één niet kon ondertekenen.

Uitkomst: Betrokkene is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen de afwijzing van de ontnemingsvordering.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-004207-19 (ontneming)
datum uitspraak: 13 april 2023
TEGENSPRAAK
Arrest van de economische kamer het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Amsterdam van 31 oktober 2019 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-994049-16 tegen de betrokkene
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,
adres: [adres].

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 1.645,00.
De betrokkene is bij vonnis van de economische kamer van de rechtbank Amsterdam van 31 oktober 2019 veroordeeld voor – kort gezegd – het medeplegen van het organiseren van, doen deelnemen aan en aanwezig zijn bij dierengevechten, het zonder redelijk doel pijn en letsel veroorzaken bij een dier en het verrichten van handelingen ten behoeve van het voorhanden hebben van diergeneesmiddelen.
Voorts heeft de economische kamer van de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 31 oktober 2019 de vordering van het openbaar ministerie ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht afgewezen.
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
Het gerechtshof heeft bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 13 april 2023 het vonnis van de rechtbank van 31 oktober 2019 in de strafzaak bevestigd met uitzondering van de opgelegde straffen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 en 30 maart 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Ontvankelijk van het hoger beroep

Het hoger beroep van de betrokkene richt zich tegen de beslissing van de rechtbank tot afwijzing van de vordering van de officier van justitie ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
In artikel 511g van het Wetboek van Strafvordering inzake het hoger beroep tegen een ontnemingsbeslissing, wordt in het tweede lid, bepaald dat titel II van het derde Boek, en daarmee het bepaalde in artikel 404 van Pro dat wetboek, van overeenkomstige toepassing is. In laatstgenoemd artikel is bepaald dat tegen een vrijspraak geen hoger beroep openstaat. Dit alles betekent dat tegen de beslissing van de rechtbank tot afwijzing van de ontnemingsvordering ook geen hoger beroep open staat. Het hof zal de betrokkene om deze reden niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door de economische kamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. A.D.R.M. Boumans, R.P. den Otter, en R.D. van Heffen,
in tegenwoordigheid van mr S.W.H. Bootsma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 april 2023.
mr. A.D.R.M. Boumans is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]