ECLI:NL:GHAMS:2023:3758
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep tegen afwijzing ontnemingsvordering bij dierengevechten
Het openbaar ministerie had in eerste aanleg gevorderd dat betrokkene een geldbedrag van €1.645,00 aan de Staat zou betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Betrokkene was veroordeeld voor medeplegen van dierengevechten, het zonder redelijk doel pijn en letsel veroorzaken bij dieren en het verrichten van handelingen met diergeneesmiddelen. De rechtbank Amsterdam wees de ontnemingsvordering af. Betrokkene stelde hoger beroep in tegen zowel de strafvonnis als de afwijzing van de ontnemingsvordering.
Het gerechtshof bevestigde bij arrest van 13 april 2023 het vonnis van de rechtbank, met uitzondering van de opgelegde straffen. Het hoger beroep richtte zich tegen de afwijzing van de ontnemingsvordering. Het hof oordeelde dat op grond van artikel 511g Sv en artikel 404 Sv Pro tegen een afwijzing van een ontnemingsvordering geen hoger beroep openstaat, zodat betrokkene niet-ontvankelijk moest worden verklaard.
De uitspraak werd gedaan na behandeling van het hoger beroep op 8 en 30 maart 2023. De economische kamer van het gerechtshof Amsterdam wees het hoger beroep af wegens niet-ontvankelijkheid. De uitspraak werd gedaan in aanwezigheid van de griffier en drie rechters, waarvan één niet kon ondertekenen.
Uitkomst: Betrokkene is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen de afwijzing van de ontnemingsvordering.