Op 14 september 2014 vond een mishandeling plaats te Amsterdam. De verdachte werd door de politierechter veroordeeld op 16 december 2020. In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis bevestigd, behalve de beslissing over de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding.
De benadeelde partij had een schadevergoeding gevorderd van €3.183,19, bestaande uit materiële en immateriële schade. De politierechter kende slechts €1.683,19 toe en verklaarde de rest niet-ontvankelijk. Het hof vernietigde dit deel en wees een bedrag van €1.308,19 toe, bestaande uit €308,19 materiële schade en €1.000 immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente.
De bewijsvoering over de mishandeling werd door het hof bevestigd, ondanks een verklaring van een getuige die het signalement van een medeverdachte noemde. Het hof achtte aannemelijk dat de getuige zich vergist had. De schadevergoeding werd toegelicht met onderbouwing van facturen en medische verklaringen, waaronder PTSS en EMDR-therapie.
Het hof legde tevens een schadevergoedingsmaatregel op aan de verdachte en bepaalde de duur van gijzeling op maximaal 23 dagen bij niet-nakoming van de betalingsverplichting. De wettelijke rente startte op 14 september 2014 voor immateriële schade en 1 januari 2015 voor materiële schade.
De overige onderdelen van het vonnis van de politierechter werden bevestigd.