ECLI:NL:GHAMS:2023:427
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep kinderalimentatie en omgangsregeling tussen ouders die niet samenwoonden
In deze zaak stonden de kinderalimentatie en omgangsregeling tussen de man en vrouw centraal, die niet samenwoonden maar gezamenlijk ouder zijn van een minderjarige geboren in 2016. De rechtbank had eerder een bijdrage van €300 per maand vastgesteld met ingang van 10 februari 2021 en de man veroordeeld tot betaling van de kosten van een DNA-onderzoek.
De man kwam in hoger beroep tegen deze beschikking en verzocht onder meer om een lagere alimentatiebijdrage en een omgangsregeling. Het hof stelde vast dat de man de biologische vader is en dat er recht op omgang bestaat, maar vond het prematuur om een omgangsregeling vast te stellen en verwees partijen naar begeleiding via Humanitas BOR.
Voor de alimentatie bepaalde het hof een redelijke ingangsdatum van 25 maart 2022, rekening houdend met de duur van de procedure en het DNA-onderzoek. Op basis van het inkomen van beide ouders in 2022 werd de behoefte van het kind vastgesteld op gemiddeld €280 per maand. De draagkracht van de man werd berekend op €303 en die van de vrouw op €286, resulterend in een maandelijkse bijdrage van €144 door de man.
De kosten van het DNA-onderzoek werden bevestigd als geheel voor rekening van de man. Het verzoek tot schorsing van de alimentatie werd ingetrokken en niet-ontvankelijk verklaard. Het hof verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wees overige verzoeken af.
Uitkomst: Het hof stelt de kinderalimentatie vast op €144 per maand vanaf 25 maart 2022, wijst het verzoek om omgangsregeling af en bevestigt de kostenveroordeling voor het DNA-onderzoek.