4.1.De rechtbank heeft met betrekking tot het geschil het volgende overwogen:
“ 6. Bij de totstandkoming van de Wet WOZ is de WOZ-waarde omschreven als "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding". De rechtbank overweegt dat verweerder aannemelijk moet maken dat hij de waarde niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Verweerder heeft daarvoor verwezen naar het door hem ingebrachte taxatierapport. Daarin is onder meer vermeld dat bij de waardering rekening is gehouden met stand, ligging en marktsituatie, alsmede met bouwaard, constructie, staat van onderhoud, bestemming en alle andere bij de taxateur bekende waardebepalende factoren. Verder is vermeld dat de waarde is bepaald volgens de huurwaardekapitalisatiemethode. Ter bepaling van de huurwaarde is het object vergeleken met huurtransacties van vergelijkbare objecten die rond de waardepeildatum zijn gerealiseerd. Aangaande de onderdelen is verder vermeld dat de bereikbaarheid goed is, stand, ligging en courantheid zeer goed zijn en er parkeermogelijkheden op het eigen terrein zijn.
7. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder met het taxatierapport en de daarin opgenomen matrix in zijn bewijs geslaagd. De door verweerder gehanteerde vergelijkingsobjecten zijn qua type, bouwaard en bouwjaar goed met het object te vergelijken. Zoals verweerder ook in de uitspraak op bezwaar heeft gesteld, zijn de vergelijkingsobjecten ook objecten met een monumentale uitstraling, waarvan de verkoopcijfers leiden tot prijzen per vierkante meter die variëren van € 1.833,45 tot € 4.758,88. Gelet op de totale WOZ-waarde van de onroerende zaak van € 1.758.000, betekent dit bij een totale oppervlakte van 1.026 m² tot een waarde van € 1.713,45 per m². Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op basis van de marktcijfers van de vergelijkingsobjecten alsmede aan de hand van de werkelijke huren van de vijf objecten, de kapitalisatiefactor van 12,5 voldoende onderbouwd. In dit verband heeft verweerder onweersproken gesteld dat, zoals dat wel bij woningen gebruikelijk is, bij de bepaling van de waarde van niet-woningen op basis van de huurwaardekapitalisatie geen gebruik wordt gemaakt van grondstaffels. Anders dan door eiseres is gesteld, en zoals bij woningen wel gebruikelijk is, was verweerder niet gehouden om grondstaffels te overleggen omdat deze niet worden gebruikt voor de waardebepaling van niet-woningen als hier aan de orde. Voorts kan de rechtbank eiseres niet volgen in haar standpunt dat verweerder bij de waardevaststelling van de onderhavige objecten op onjuiste wijze rekening heeft gehouden met de op het terrein aanwezige 22 parkeerplaatsen. Ter zitting is namens verweerder toegelicht dat voor deze insteek is gekozen omdat niet inzichtelijk is welke parkeerplaats bij welke huurder hoort. Daarom staan de parkeerplaatsen wel op de taxatieverslagen/taxatiekaarten in verband met de WOZ-administratie, maar zonder afzonderlijke waarden omdat de waarde van de parkeerplaatsen in de huurprijzen van de vijf objecten zijn verdisconteerd, aldus verweerder. Van een onjuiste objectafbakening is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Het door eiseres ter zitting overgelegde stuk waarin de parkeerplaatsen aan twee afzonderlijke objecten zijn toebedeeld, maakt dit oordeel niet anders. Onduidelijk is wat de status van dit stuk is, van wie het afkomstig is en zonder nadere onderbouwing is hieraan ook niet enig in rechte te honoreren vertrouwen te ontlenen wat betreft de objectafbakening of de waardebepaling van de objecten.
8. Het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat de vastgestelde waarden van de vijf objecten ten opzichte van de huurwaarden en de gerealiseerde verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten niet te hoog zijn. Verweerder heeft derhalve de waarde niet te hoog vastgesteld. Verweerder is derhalve in de op hem rustende bewijslast geslaagd.
9. Hieruit volgens tevens dat wat eiseres heeft aangevoerd niet tot een ander oordeel leidt. Ook niet voor zover eiseres ter zitting nog heeft betoogd dat de gehanteerde kapitalisatiefactor te hoog is vanwege het leegstandrisico door COVID-19. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk te achten dat die omstandigheid zich op de waardepeildatum voordeed. Met die omstandigheid behoort bij de waardering per waardepeildatum dan ook geen rekening te worden gehouden.
10. Eiseres heeft een verzoek tot vergoeding van immateriële schade gedaan wegens overschrijding van de redelijke termijn. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, nr.14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar (24 maanden) nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Gelet op het feit dat het bezwaarschrift op 6 november 2019 door verweerder is ontvangen, is de termijn op die datum aangevangen. Aangezien de rechtbank uitspraak doet op 4 november 2021, is een periode van minder dan 24 maanden verstreken. De redelijke termijn is dus niet overschreden en voor een schadevergoeding is dus geen grond. 11. Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond.
12. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.”