ECLI:NL:GHAMS:2023:501
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens schending ondervragingsrecht bij mishandeling levensgezel
De verdachte werd beschuldigd van mishandeling van zijn levensgezel door haar aan de benen te trekken en in het gezicht te slaan. In eerste aanleg werd hij veroordeeld op basis van de verklaring van de aangeefster, die als getuige was gehoord.
In hoger beroep stelde de verdediging dat de verklaring van deze getuige uitgesloten moest worden omdat het ondervragingsrecht niet kon worden uitgeoefend. Het hof bevestigde dat de verdediging ondanks herhaalde pogingen geen mogelijkheid had gekregen om de aangeefster te ondervragen.
Het hof oordeelde dat de verklaring van de aangeefster in beslissende mate bijdroeg aan de bewezenverklaring en dat er geen compenserende factoren waren die het ontbreken van het ondervragingsrecht konden opvangen. Daarom werd de verklaring uitgesloten en was er onvoldoende bewijs om de verdachte te veroordelen.
Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en sprak de verdachte vrij van de tenlastegelegde mishandeling.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs door uitsluiting van de verklaring van een cruciale getuige.