ECLI:NL:GHAMS:2023:528
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging van partneralimentatiebeschikking wegens onvoldoende onderbouwing wijziging omstandigheden
Het huwelijk van partijen is in 2021 ontbonden. Bij de echtscheidingsbeschikking was een partneralimentatie van €550 per maand vastgesteld, geïndexeerd tot €560,45 in 2022. De man verzocht om de partneralimentatie met terugwerkende kracht vanaf 6 januari 2021 op nihil te stellen, stellende dat de vrouw geen aanvullende behoefte heeft omdat zij werkt en zelf kan voorzien in haar levensonderhoud.
De rechtbank stelde de partneralimentatie vanaf 1 juli 2022 op nihil, omdat de vrouw vanaf die datum afzag van partnerbijdrage en zich niet verweerde. De man ging in hoger beroep tegen het deel van de beschikking dat de alimentatie vóór 1 juli 2022 niet op nihil stelde.
Het hof oordeelde dat de man onvoldoende had onderbouwd dat de echtscheidingsbeschikking vanaf aanvang niet aan wettelijke maatstaven voldeed of dat er sprake was van wijziging van omstandigheden. Hij had onvoldoende concreet gesteld hoe hoog de behoefte van de vrouw was en in hoeverre zij daarin zelf kon voorzien. De berekeningen die hij aanvoerde waren onvoldoende specifiek en ter zitting bleek dat de vrouw nog steeds behoefte had aan alimentatie vanwege haar bijdrage in de kosten van de kinderen.
Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de beschikking van de rechtbank bekrachtigd, waarbij de partneralimentatie vanaf 1 juli 2022 op nihil is gesteld maar niet met terugwerkende kracht vanaf 6 januari 2021.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking die de partneralimentatie vanaf 1 juli 2022 op nihil stelt en wijst het hoger beroep af voor de periode vanaf 6 januari 2021.