ECLI:NL:GHAMS:2023:636
Gerechtshof Amsterdam
- Tussenuitspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing incidentele vordering tot schorsing tenuitvoerlegging geldvordering
Ergo is in hoger beroep gekomen tegen vonnissen van de rechtbank Amsterdam waarin zij is veroordeeld tot betaling van een geldsom aan Haditha. Ergo stelde een incidentele vordering in tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis, althans tot zekerheidstelling, met het oog op een vermeend restitutierisico.
Het hof overwoog dat het uitgangspunt is dat een veroordeling uitvoerbaar bij voorraad is en ten uitvoer kan worden gelegd tijdens hoger beroep, tenzij het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt. Ergo voerde aan dat het vonnis berust op een kennelijke misslag en dat er een reëel restitutierisico bestaat vanwege de buitenlandse vestigingsplaats van Haditha en de onmogelijkheid om daar executiemaatregelen te treffen.
Het hof oordeelde dat de gestelde kennelijke misslag inhoudelijke bezwaren betreft die in de hoofdzaak moeten worden beoordeeld. Het restitutierisico was onvoldoende concreet en onderbouwd. Het belang van Haditha bij voortzetting van de tenuitvoerlegging woog zwaarder dan het belang van Ergo bij schorsing. Ergo's verzoek tot zekerheidstelling werd eveneens afgewezen.
De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging werd afgewezen en de beslissing over de proceskosten van het incident werd aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak. De hoofdzaak werd verwezen naar de rol voor memorie van grieven.
Uitkomst: De incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwd restitutierisico en inhoudelijke bezwaren die in de hoofdzaak moeten worden beoordeeld.