In deze ontnemingszaak is de betrokkene veroordeeld voor medeplegen van oplichting door de verkoop van gestolen en omgekatte voertuigen. De rechtbank had het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €7.188,59 en een betalingsverplichting van €6.290,02 opgelegd, rekening houdend met een overschrijding van de redelijke termijn.
Het hof heeft het hoger beroep behandeld en de vordering van het openbaar ministerie en de verdediging gewogen. De verdediging stelde dat het voordeel maximaal €1.500,- bedroeg, maar het hof achtte dit onvoldoende onderbouwd. Het hof bevestigde de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel op €7.188,59, gelijkelijk verdeeld over vier daders.
Gezien de betaling van een groot deel van het voordeel door de betrokkene en het Voorschotfonds, resteert een bedrag van €338,59. Door de overschrijding van de redelijke termijn van ruim twee jaar, stelt het hof de betalingsverplichting aan de Staat op nihil. Het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en het hof doet opnieuw recht conform deze vaststellingen.