Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
4.De omvang van het geschil
- de vrouw dient binnen vier weken na datum bestreden beschikking drie accountants voor te stellen en dit voorstel naar de man te sturen. Na ontvangst daarvan dient te man binnen twee weken een accountant uit de drie voorgestelde accountants te selecteren;
- partijen zullen binnen twee weken na de selectie de door de man gekozen accountant inschakelen om de aandelen in [BV 1] . te waarderen tegen de intrinsieke waarde;
- iedere partij is gehouden de helft van de kosten van de accountant te voldoen;
- de aandelen in [BV 1] . zullen tegen de door de accountant vastgestelde waarde per de datum van het moment van feitelijk verdelen aan de man worden toegedeeld, waarbij de man de vrouw de helft van de waarde per die datum moet betalen minus de nominale IB belastingclaim in box II over dat bedrag.
- de man te veroordelen om ter zake van de verdeling van de woning staande en gelegen aan de [B-straat] [plaats B] (hierna: de woning) een bedrag van € 75.000,- aan de vrouw te voldoen, dan wel een zodanig bedrag als het hof juist acht;
- te bepalen dat de man niet heeft aangetoond dat sprake is van een leenovereenkomst tussen hem en [A] , dan wel te oordelen dat de vrouw niet gehouden is om aan de man een bedrag van € 5.000,- te voldoen uit hoofde van deze vermeende lening, dan wel het verzoek van de man hieromtrent in eerste aanleg alsnog af te wijzen;
- te bepalen dat een financieel deskundigenonderzoek zal plaatsvinden waarbij de ondernemingen van de man alsnog zullen worden gewaardeerd conform de verzoeken van de vrouw in eerste aanleg en de vragen die zijn gesteld in eerste aanleg aan deze deskundige;
- te bepalen dat de man gehouden is om de helft van de verkoopopbrengst van de onderneming [restaurant] 2, zijnde een bedrag van € 55.000,- aan de vrouw te voldoen;
- te bepalen dat de man gehouden is om de helft van de verkoopopbrengst van de onderneming [BV 2] ., zijnde een bedrag van € 500.000,- aan de vrouw te voldoen;
- te bepalen dat de man gehouden is om de helft van de verkoopopbrengst van de onderneming [BV 3] , zijnde een bedrag van € 450.000,- aan de vrouw te voldoen;
- te bepalen dat de onderneming [BV 1] . wordt toebedeeld aan de man, waarbij de man aan de vrouw een vergoeding dient te voldoen van € 375.000,-, zijnde de helft van de waarde van de onderneming.