ECLI:NL:GHAMS:2024:1028
Gerechtshof Amsterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep vergoeding kosten rechtsbijstand na sepot strafzaak
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn verzoek om vergoeding van kosten rechtsbijstand in verband met een strafzaak die is geseponeerd. De rechtbank had het verzoek afgewezen omdat appellant onvoldoende had onderbouwd dat hij niet de bestuurder was en niet had gereageerd op meerdere oproepen van het CJIB.
Het hof overweegt dat op grond van artikel 534 Sv Pro vergoeding van kosten rechtsbijstand in beginsel toekomt indien een zaak eindigt zonder strafoplegging, tenzij gronden van billijkheid zich daartegen verzetten. Het hof benadrukt dat de rechter bij het billijkheidsoordeel geen inhoudelijk oordeel over schuld mag vellen en dat het oordeel moet zijn gebaseerd op de specifieke omstandigheden van het geval.
Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank en kent een vergoeding toe van in totaal € 1.293,00, waarbij een deel wordt verrekend met een openstaand bedrag bij het CJIB. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen. De beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het Gerechtshof Amsterdam op 19 maart 2024.
Uitkomst: Het hof kent appellant een vergoeding toe van € 1.293,00 voor kosten rechtsbijstand na sepot van de strafzaak.