In deze ontnemingszaak heeft het hof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 14 mei 2021 vernietigd. De zaak betreft de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene, veroordeeld voor handelen in strijd met de Opiumwet en medeplegen van gewoontewitwassen.
Het hof heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €94.456,00, gebaseerd op contante opnames, privé-uitgaven, salarisbetalingen en overboekingen van de bankrekening van het bedrijf van betrokkene. De betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat de contante opnames aan derden zijn gegeven.
De redelijke termijn voor de behandeling van de zaak is in eerste aanleg en hoger beroep met ruim drie jaar en vier maanden overschreden. Het hof compenseert deze overschrijding door de betalingsverplichting te matigen met €5.000,00, waardoor de verplichting tot betaling aan de Staat €89.456,00 bedraagt.
De duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd is vastgesteld op 1080 dagen. Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het hof Amsterdam op 18 april 2024.