ECLI:NL:GHAMS:2024:1056

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
23 april 2024
Publicatiedatum
23 april 2024
Zaaknummer
200.330.842/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 118 RvArt. 351 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenarrest over procesueel ondeelbare rechtsverhouding in nalatenschapsvereffening

In deze civiele zaak gaat het om de vereffening van de nalatenschap van de vader van de betrokken partijen, die allen beneficiair hebben aanvaard en gezamenlijk vereffenaars zijn. De voorzieningenrechter had [appellante] veroordeeld tot medewerking aan de vereffening, waaronder het doen van aangifte erfbelasting in Spanje en het afgeven van een legaat aan een van de deelgenoten.

[Appellante] is in hoger beroep gekomen tegen deze beslissing en vordert tevens schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis. Het hof constateert dat het vonnis is gewezen in twee gescheiden gedingen, terwijl de rechtsverhouding ondeelbaar is en alle betrokkenen partij moeten zijn bij dezelfde procedure.

Daarom geeft het hof [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] de gelegenheid om [geïntimeerde 3] op te roepen in hun geding op grond van artikel 118 Rv Pro, zodat de ondeelbare rechtsverhouding in één procedure kan worden behandeld. Alle verdere beslissingen worden aangehouden tot na deze procedurele correctie.

Uitkomst: Het hof houdt verdere beslissing aan en stelt partijen in de gelegenheid de ondeelbare rechtsverhouding te herstellen door een partij op te roepen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.330.842/01
rol-/zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/730099/KG ZA 23-135
arrest van 23 april 2024
in de zaak van
[appellante] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
appellante in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam,
tegen

1.[geïntimeerde 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,
2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
geïntimeerden in de hoofdzaak,
verweerders in het incident,
advocaat: mr. C.S.M. Ruijgrok te Amsterdam.
en voorts tegen

3.[geïntimeerde 3] ,

wonende te [woonplaats 3] ,
geïntimeerde in de hoofdzaak,
niet verschenen.
Partijen worden hierna ieder bij hun voornaam genoemd.

1.Het procesverloop in hoger beroep

[appellante] is bij dagvaarding van 7 juni 2023 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 11 mei 2023 (hierna: het bestreden vonnis), gewezen in twee zaken, te weten een zaak onder bovenvermeld zaaknummer tussen [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] als eisers en [appellante] als gedaagde, en een zaak onder zaaknummer C/13/732934 / KG ZA 23-351 tussen [geïntimeerde 3] als eiseres en [appellante] , [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] als gedaagden. [geïntimeerde 3] heeft haar vorderingen, voor zover ingesteld tegen [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] , tijdens de mondelinge behandeling bij de voorzieningenrechter ingetrokken.
[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zijn verschenen. Tegen [geïntimeerde 3] is verstek verleend.
[appellante] heeft op 24 oktober 2023 een memorie van grieven tevens incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad, met producties 1 tot en met 5, genomen. De incidentele vordering op de voet van artikel 351 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ziet op schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis voor zover dit ziet op zaaknummer C/13/730099/KG ZA 23-135.
[geïntimeerde 1] heeft een antwoordakte in het incident genomen en geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het incident.
Vervolgens heeft [appellante] een nadere akte overlegging producties, met producties 6 tot en met 12, genomen. Hierop heeft [geïntimeerde 1] bij akte geantwoord.

2.De beoordeling

2.1
Het bestreden vonnis is gewezen in twee zaken die zien op de vereffening van de nalatenschap van de vader van [appellante] , [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] . Zij hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard en zijn de deelgenoten in, en gezamenlijke vereffenaars van, die nalatenschap.
De vorderingen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in eerste aanleg strekken ertoe dat [appellante] wordt veroordeeld tot medewerking aan de vereffening, door voor het doen van aangifte van erfbelasting in Spanje de noodzakelijke handelingen te verrichten en door mee te werken aan afgifte van het legaat aan [geïntimeerde 3] . De voorzieningenrechter heeft deze vorderingen toegewezen. Dezelfde vorderingen zijn in het door [geïntimeerde 3] aangespannen geding afgewezen bij gebrek aan belang omdat [appellante] reeds werd veroordeeld in het door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] aangespannen geding.
2.2
Met haar grieven komt [appellante] op tegen de beslissing om de vorderingen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] toe te wijzen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering. In het door haar opgeworpen incident vordert zij schorsing van de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de tegen haar uitgesproken veroordeling.
2.3
De in het bestreden vonnis toegewezen vorderingen betreffen een rechtsverhouding waarbij het rechtens noodzakelijk is dat een beslissing daarover in dezelfde zin luidt ten aanzien van alle bij die rechtsverhouding betrokkenen (een zogeheten processueel ondeelbare rechtsverhouding). Dat betekent dat een beslissing op die vorderingen slechts kan worden gegeven in een geding waarin allen die bij die rechtsverhouding zijn betrokken, partij zijn, zodat een rechterlijke beslissing hen allen bindt. Alle betrokkenen bij de hier aan de orde zijnde ondeelbare rechtsverhouding zijn partij in dit hoger beroep. Het bestreden vonnis is echter gewezen in twee gedingen en de vorderingen zijn toegewezen in het geding waarin [geïntimeerde 3] niet betrokken is. Het hof zal [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in de gelegenheid stellen dit verzuim te herstellen door hen, als meest gerede partij, een termijn te gunnen waarbinnen zij [geïntimeerde 3] op de voet van art. 118 Rv Pro kunnen oproepen in hun geding, tegen de hierna te noemen roldatum in hoger beroep.
2.4
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.Beslissing

Het hof:
stelt [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in de gelegenheid [geïntimeerde 3] tegen de roldatum van 4 juni 2024 in hun geding op te roepen op de voet van artikel 118 Rv Pro;
houdt iedere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. L. Alwin, A. Sturhoofd en H.A. van den Berg en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 23 april 2024
.