In deze civiele zaak vorderen de erfgenamen van de erflaatster terugbetaling van een investering inclusief rendement van appellante. Het hof verwijst naar een eerder tussenarrest waarin een voorlopige schuld van €266.200 aan de erven werd vastgesteld.
Appellante had betoogd dat een bedrag van €14.550,65 in mindering gebracht moest worden vanwege diverse nota’s, maar het hof oordeelde dat de nadere toelichting onvoldoende was om deze verrekening te aanvaarden. Het beroep op verrekening werd daarom verworpen.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover appellante werd veroordeeld tot betaling van €301.500, en veroordeelde haar tot betaling van €266.200 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 26 oktober 2019, plus buitengerechtelijke kosten van €3.106 met rente vanaf 6 december 2019.
Daarnaast werd appellante veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, begroot op €15.040. De veroordelingen werden uitvoerbaar bij voorraad verklaard.