Klaagster ontving een parkeerboete in Kroatië en werd geconfronteerd met incassokosten van € 288,40 door de gerechtsdeurwaarder. Zij stelde dat de vertaalkosten onterecht waren en dat de gerechtsdeurwaarder misbruik maakte van zijn positie. In eerste aanleg werd de klacht gegrond verklaard en een boete opgelegd.
In hoger beroep betoogde de gerechtsdeurwaarder dat hij slechts een marginale toetsing hoefde toe te passen en dat de vertaalkosten gebaseerd waren op de Kroatische Tolkenrichtlijn, met ondersteuning van Kroatische juristen en de Limburgse Deken van Advocaten. Het hof oordeelde dat de gerechtsdeurwaarder geen misbruik had gemaakt van zijn positie, de vertaalkosten terecht waren en dat hij adequaat had gereageerd op het verweer van klaagster.
Het hof vernietigde daarom de eerdere beslissing en verklaarde de klacht in alle onderdelen ongegrond. De gerechtsdeurwaarder werd vrijgesteld van de boete en kostenveroordeling die in eerste aanleg waren opgelegd.