Deze zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Holland over kinderalimentatie voor een minderjarig kind geboren in 2023. De man betwist zijn vaderschap en verzoekt om een DNA-onderzoek alvorens alimentatie vast te stellen. Het hof overweegt dat de man onvoldoende gemotiveerd betwist dat hij de biologische vader is en wijst het verzoek tot DNA-onderzoek af.
De rechtbank had de alimentatie vastgesteld op €100 per maand vanaf juli 2023 en €487 per maand vanaf september 2023. Het hof volgt de rechtbank voor de maanden juli en augustus 2023, omdat partijen een afspraak hadden gemaakt over een bijdrage van €100 per maand. Voor de periode vanaf september 2023 stelt het hof een lagere bijdrage vast van €374 per maand, gebaseerd op een draagkrachtvergelijking van de netto besteedbare inkomens van partijen en de behoefte van het kind.
De man heeft onvoldoende financiële gegevens overgelegd over zijn inkomen tijdens de samenwoning, maar het hof gaat uit van het door de vrouw geschatte inkomen. De draagkracht van de man wordt berekend op €659 en die van de vrouw op €273 per maand. De behoefte van het kind is vastgesteld op €529 per maand. Het hof verhoogt de bijdrage van de man per 1 januari 2024 met de wettelijke indexering van 6,2% tot €397 per maand. Het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid wordt afgewezen omdat het hoger beroep inhoudelijk is beslist.