De bijzondere curator heeft drie keer met [minderjarige] gesproken en aan de hand daarvan de vragen van het hof beantwoord.
Vraag 1. 1. Wat vindt [minderjarige] van haar huidige woonsituatie en wat maakt dat zij hier op deze manier tegen aankijkt?
De bijzondere curator schrijft dat [minderjarige] een warme relatie heeft met haar moeder, maar ook te maken heeft met een stiefvader, die zij maar moeilijk lijkt toe te kunnen laten in haar leven. De bijzondere curator noemt vervolgens een achttal mogelijke hypotheses voor het gegeven dat de relatie [minderjarige] -stiefvader onvoldoende groeit. Mogelijk zijn al deze hypotheses van invloed op de situatie. [minderjarige] groeit op in een zeer complexe situatie en lijkt zich daarin geregeld een buitenstaander in het gezin bij de moeder te voelen. Ze wil er heel graag bij horen. Wanneer er met [minderjarige] wordt ingezoomd op de problemen die zij ervaart, dan raakt ze ontredderd. Wanneer [minderjarige] in haar kracht wordt gezet, kan ze goed relativeren en lijkt de situatie in haar hoofd beter hanteerbaar te worden. [minderjarige] heeft tijdens de drie gesprekken aangegeven dat zij zich niet onveilig voelt in het gezin.
Vraag 2. Hoe wil [minderjarige] het contact en de relatie met haar beide ouders het liefste vormgeven? Heeft zij daar hulp bij nodig en, zo ja, kan de bijzondere curator adviseren welke hulp passend is voor haar?
Op deze vraag antwoordt de bijzondere curator dat [minderjarige] het nodig heeft dat het wantrouwen tussen de ouders een halt wordt toegeroepen. Het contact met de vader vindt [minderjarige] weinig en dat vindt ze jammer, maar ze lijkt er ook in te berusten. De begeleiding in de omgang met de vader ervaart ze als prettig en steunend, het lijkt haar te ontlasten, aldus de bijzondere curator. [minderjarige] vindt de band met haar stiefvader moeilijk, maar zij ontkent dat zij in gevaar is of dat er sprake is van (fysiek) grensoverschrijdend gedrag. Wel lijkt zij zich erg gekwetst te voelen wanneer de stiefvader pedagogisch onmachtig reageert. De opmerkingen die hij dan maakt, blijven bij [minderjarige] hangen en zij wantrouwt de excuses die wel worden gemaakt. Het is volgens de bijzondere curator aan de ouders om verandering in de situatie te brengen. Van de moeder heeft [minderjarige] (nog) meer ruimte nodig om zich over de situatie te mogen uiten en het lijkt essentieel dat de vader zich niet meer mengt in de thuissituatie van [minderjarige] bij de moeder. Anders zal [minderjarige] last blijven houden van loyaliteitsgevoelens naar beide ouders en krijgt de stiefvader geen kans om zijn relatie met [minderjarige] te versterken. [minderjarige] heeft behoefte aan een vertrouwenspersoon om haar sterker te maken; bijvoorbeeld een kinderpsycholoog, maar niet iemand die met het oudersysteem werkt en verslag uitbrengt over wat [minderjarige] meldt. De ouders hebben, ieder voor zich, mogelijk baat bij een ondersteunend contact in hun ouderrol.
Vraag 3. Welke andere bevindingen volgen uit het onderzoek die relevant zijn voor de te nemen beslissing ten aanzien van de zorgregeling?
De bijzondere curator heeft solo parallel ouderschap aangedragen als mogelijk helpend voor de ouders en de stiefvader. Daarbij is het volgens de bijzondere curator van belang dat de ouders de stem van [minderjarige] horen die volgens de bijzondere curator vooral aan haar ouders wil duidelijk maken:
”Hoor mij en zie mij, ben lief voor mij, maar stop met elkaar te wantrouwen. Daar raak ik van in de war en maakt dat ik soms dingen zeg die ik liever niet had willen zeggen en die dan maken dat de situatie niet verbetert, maar verslechtert. Ik wil niet kiezen tussen mijn ouders, maar van allebei mogen houden”.Verder heeft de bijzondere curator geadviseerd de begeleide omgang met de vader te handhaven totdat zijn beschuldigingen aan het adres van de moeder en stiefvader zijn gestopt. Of [minderjarige] zelf een voorkeur heeft voor omgang in [plaats A] is niet duidelijk geworden en de gekozen omgangsfrequentie lijkt op dit moment voldoende voor haar, aldus de bijzondere curator.