ECLI:NL:GHAMS:2024:1787

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
12 februari 2024
Publicatiedatum
30 juni 2024
Zaaknummer
23-001529-21
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 404 SvArt. 422 SvArt. 6 EVRM
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis met aanpassing strafmaatoverweging redelijke termijn in hoger beroep

De verdachte was in eerste aanleg door de rechtbank Den Haag vrijgesproken van de tenlasteleggingen onder 1 en 2. De verdachte stelde onbeperkt hoger beroep in, dat mede gericht was tegen deze vrijspraak. Het hof verklaarde de verdachte echter niet-ontvankelijk voor zover het hoger beroep was gericht tegen de vrijspraak, omdat hoger beroep tegen vrijspraak volgens artikel 404, vijfde lid, Sv niet openstaat.

Na onderzoek van de zaak en het horen van partijen bevestigde het hof het vonnis van de rechtbank. Wel verbeterde het de lezing van een voetnoot in het vonnis en verving het de strafmaatoverwegingen met betrekking tot de redelijke termijn. De procedure duurde ruim elf jaar, wat een ernstige overschrijding van de redelijke termijn inhoudt. Het hof matigde de straf daarom met 25% over de gehele duur van de overschrijding, in tegenstelling tot de rechtbank die dit alleen voor de eerste aanleg deed.

De opgelegde straf van drie jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf, met aftrek van het voorarrest, achtte het hof passend en geboden. De verdachte werd niet-ontvankelijk verklaard voor het hoger beroep tegen de vrijspraak, en het vonnis werd bevestigd met de genoemde aanpassingen.

Uitkomst: Het hof bevestigt het vonnis met een straf van drie jaar gevangenisstraf en verklaart de verdachte niet-ontvankelijk voor het hoger beroep tegen de vrijspraak.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001529-21
datum uitspraak: 12 februari 2024
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Arrest van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 19 december 2018 in de strafzaak onder parketnummer 09-997141-12 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1971,
adres: [adres].

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Den Haag vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 en 2 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
22 september 2022 en 29 januari 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, met dien verstande dat het hof:
  • voetnoot 41 in het vonnis van de rechtbank verbeterd leest, waardoor deze als volgt komt te luiden “D-001, p. 3558-3562”.
  • de strafmaatoverwegingen ten aanzien van de redelijke termijn vervangt door de overwegingen zoals hierna is weergegeven.
Strafmaatoverwegingen
Het hof ziet in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen aanleiding een lagere straf op te leggen dan de rechtbank heeft gedaan.
Redelijke termijn
Wat betreft de redelijke termijn overweegt het hof dat in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) het recht van iedere verdachte is gewaarborgd binnen een redelijke termijn te worden berecht.
In deze procedure is de op redelijkheid te beoordelen termijn aangevangen op 27 november 2012, de dag van de doorzoeking in woning van de verdachte. Het vonnis waarvan beroep werd gewezen op 19 december 2018. Vervolgens is op 31 december 2018 namens de verdachte hoger beroep ingesteld en doet het hof bij arrest van 12 februari 2024 uitspraak. De procedure als geheel heeft derhalve ruim 11 jaren geduurd. Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren per instantie, is deze periode overschreden met ruim zeven jaren. Naar het oordeel van het hof is sprake van een ernstige overschrijding van de redelijke termijn en dient dit te worden gecompenseerd in de strafmaat. Het hof vindt de matiging van de straf, zoals door de rechtbank is gedaan, te groot. Het hof volgt daarom niet de door de rechtbank toegepaste matiging van 25% voor enkel de overschrijding in eerste aanleg, maar hanteert een matiging van 25% voor de totale overschrijding in zowel eerste aanleg als in hoger beroep.
Het hof acht dan ook – net als de rechtbank – oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van de duur van het voorarrest passend en geboden.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Den Haag, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. P. Greve en mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg, in tegenwoordigheid van mr. S.W.H. Bootsma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 februari 2024.
=========================================================================
[…]