De zaak betreft het hoger beroep van de vader tegen de afwijzing van zijn verzoeken tot het vaststellen van een omgangsregeling met zijn minderjarige kind en het gezamenlijk gezag met de moeder. De moeder verzet zich tegen deze verzoeken en vraagt tevens om een kostenveroordeling van de vader.
Het hof bevestigt de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en gaat uit van Nederlands recht. Uit het dossier blijkt dat de moeder sinds de echtscheiding in 2021 het eenhoofdig gezag heeft en dat de vader weinig contact heeft gehad met het kind sinds september 2022. De moeder geeft aan dat het contact met de vader traumatisch is verlopen en dat het kind weigert contact te hebben. De vader woont deels in Turkije en wil zich in Nederland vestigen.
Het hof oordeelt dat het niet in het belang van het kind is om het eenhoofdig gezag van de moeder te wijzigen vanwege de verstoorde relatie tussen ouders en bedreigende uitlatingen van de vader. Ten aanzien van de omgangsregeling is onvoldoende inzicht in de huidige situatie van het kind en de belemmeringen voor omgang. Daarom gelast het hof een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming en houdt de zaak pro forma aan tot januari 2025. De verdere behandeling volgt na ontvangst van het rapport.