ECLI:NL:GHAMS:2024:1809
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging afwijzing omgangsregeling niet-gezaghebbende moeder met pleegkind
De zaak betreft het verzoek van een moeder om een omgangsregeling met haar pleegkind, dat sinds babyleeftijd uit huis is geplaatst en onder voogdij van een gecertificeerde instelling staat. De rechtbank had het verzoek van de moeder afgewezen, waarna zij in hoger beroep ging. Het hof overweegt dat het kind, een kwetsbaar meisje met een ontwikkelingstrauma en een visuele beperking, rust en voorspelbaarheid nodig heeft om een veilige hechtingsrelatie met haar pleegouders op te bouwen en haar traumabehandeling voort te zetten.
De moeder heeft recent positieve ontwikkelingen doorgemaakt, zoals stabilisatie van haar gezondheid en het vinden van werk, maar deze zijn nog pril. Bovendien geeft zij onvoldoende openheid over haar ziektebeeld, waardoor de GI de veiligheid van het kind bij omgang niet kan waarborgen. Het hof concludeert dat omgang met de moeder het traumaverwerkingsproces van het kind kan verstoren en wijst het verzoek af.
Het beroep van de moeder op schending van haar familielevensrecht op grond van het EVRM, IVRK en het Handvest van de grondrechten van de EU wordt verworpen omdat de inbreuk noodzakelijk en evenredig is in het belang van het kind. Het hof bekrachtigt daarmee de bestreden beschikking en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot omgangsregeling tussen de moeder en het pleegkind wegens het belang en de veiligheid van het kind.