In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor het zakkenrollen van een diensttelefoon van een politieambtenaar in burger op 10 februari 2024 te Amsterdam. De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot 3 maanden gevangenisstraf. In hoger beroep stelde de raadsman dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens ontoelaatbare uitlokking door inzet van een loktelefoon.
Het hof oordeelde dat geen sprake was van een loktelefoon, omdat de politieambtenaar zijn eigen diensttelefoon gebruikte en de verdachte niet werd aangezet tot ander gedrag dan zijn opzet al was gericht. Het verweer tot niet-ontvankelijkheid en bewijsuitsluiting werd verworpen. Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de telefoon met wederrechtelijk oogmerk had weggenomen.
Gezien de ernst van het feit, de hinder en overlast voor slachtoffers en het recidivekarakter van de verdachte, legde het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden op, met aftrek van voorarrest. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf werd afgewezen om opportuniteitsredenen.