ECLI:NL:GHAMS:2024:2166

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
1 augustus 2024
Publicatiedatum
1 augustus 2024
Zaaknummer
23-001243-23
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 onder b Asbestverwijderingsbesluit 2005Art. 422 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken redelijke verwachting van asbest in dakkapel

De verdachte werd ten laste gelegd dat hij een dakkapel had laten verwijderen zonder voorafgaand een asbestinventarisatierapport te laten opmaken, terwijl redelijkerwijs verwacht mocht worden dat de dakkapel asbest bevatte. De woning dateert uit 1966 en de dakkapel is tussen 1986 en 1992 geplaatst.

De advocaat-generaal vorderde een voorwaardelijke geldboete van €1500,- wegens het ontbreken van het rapport, stellende dat in woningen van vóór 1994 asbest veelvuldig werd toegepast. De rechtbank sprak de verdachte vrij, en het hof bevestigde deze vrijspraak na beoordeling van het dossier.

Het hof oordeelde dat op grond van de wetgeving alleen een asbestinventarisatierapport verplicht is indien redelijkerwijs te verwachten is dat het bouwwerk asbest bevat. Uit het bouwkundig rapport bij aankoop bleek asbest mogelijk aanwezig in leidingen en vinyl, maar niet in de dakkapel. Ook een e-mail van de bouwer bevestigde dat asbestgebruik in de dakkapel niet gebruikelijk was.

De stelling van de advocaat-generaal dat asbestgebruik vóór 1994 algemeen bekend was, vond het hof onvoldoende om de redelijke verwachting te onderbouwen. Daarom was het niet wettig en overtuigend bewezen dat de dakkapel asbest bevatte, en werd de vrijspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hof bevestigt de vrijspraak omdat niet wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte redelijkerwijs had moeten weten dat de dakkapel asbest bevatte.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-001243-23
Datum uitspraak: 1 augustus 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de economische kamer van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Amsterdam van
7 april 2023 in de strafzaak onder parketnummer 81-170982-22 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1958,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
18 juli 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte naar voren heeft gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
Hij op of omstreeks 28 oktober 2021 te Amstelveen, althans in Nederland, al dan niet opzettelijk, (de dakkapel van) een pand gelegen aan de [adres] , althans een bouwwerk als bedoeld in de Woningwet, waarin naar redelijke verwachting asbest of een asbesthoudend product was toegepast, geheel of gedeeltelijk heeft doen afbreken en/of uit elkaar doen nemen, terwijl hij, verdachte, er geen zorg voor heeft gedragen dat met betrekking tot dat bouwwerk, dan wel het gedeelte daarvan ten aanzien waarvan de handeling werd verricht, een asbestinventarisatie werd verricht en/of een asbestinventarisatierapport werd opgesteld, en/of er geen zorg voor heeft gedragen dat [bedrijf] beschikte met betrekking tot dat bouwwerk, over een asbestinventarisatierapport als bedoeld in artikel 1 onder Pro b van het Asbestverwijderingsbesluit 2005, dat ten behoeve van die handelingen was opgesteld.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, met dien verstande dat het hof de overwegingen van de economische politierechter vervangt door eigen overwegingen.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft aan de hand van haar op schrift gestelde requisitoir gevorderd de verdachte te veroordelen voor hetgeen hem is tenlastegelegd. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
In de periode voorafgaand aan het jaar 1994 is in de bouw veel gebruik gemaakt van asbest; het is een feit van algemene bekendheid dat zich in woningen van voor dat jaar asbesthoudend materiaal kan bevinden. De woning van de verdachte, die hij heeft gekocht in 2004, is gebouwd in 1966. De dakkapel is na 1966 aangebracht en was al bij aankoop van de woning aan vervanging toe. Daarom was te verwachten dat deze in de periode vóór 1993 is geplaatst. De verdachte heeft geen onderzoek gedaan naar het bouwjaar van de dakkapel.
Bij de aankoop van de woning is een bouwkundig inspectierapport opgemaakt. Daaruit bleek dat de dakkapel aan vervanging toe was en dat in de woning mogelijk asbesthoudend materiaal is aangetroffen in leidingen, kanalen en vinyl.
De verdachte heeft geen asbestinventarisatierapport laten opmaken voordat hij in oktober 2021 de opdracht gaf de dakkapel te laten vervangen, terwijl – gelet op de datum van het aanbrengen van de dakkapel en gelet op de inhoud van het bouwkundig inspectierapport - naar redelijke verwachting in die dakkapel asbest of een asbesthoudend product was toegepast.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete van € 1500,- met een proeftijd van twee jaren.

Vrijspraak

De economische politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde vrijgesproken.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt vast dat er geen asbestinventarisatierapport is opgesteld ten behoeve van het verwijderen van de dakkapel van de woning van de verdachte aan de [adres] . De verdachte heeft opdracht gegeven tot de verwijdering van de dakkapel op 24 april 2021 aan het bedrijf [bedrijf]
Op 28 oktober 2021 is de dakkapel verwijderd, waarbij asbest is aangetroffen. De woning is gebouwd in 1966, en uit de in het dossier aanwezige luchtfoto’s volgt dat de dakkapel tussen 1986 en 1992 is gebouwd.
Het hof is van oordeel dat op grond van de van toepassing zijnde wet- en regelgeving geen verplichting bestaat om bij een verbouwing van een (deel van een) woning die voor 1994 is gebouwd, een asbestinventarisatierapport te laten opmaken. Die verplichting is er alleen indien
naar redelijke verwachtingasbest of een asbesthoudend product in die woning is toegepast.
Het hof gaat – met de advocaat-generaal - uit van de stelling van de verdachte dat hij niet wist dat in de dakkapel van zijn woning asbest was gebruikt en dat hem pas na de sloop van de dakkapel is gebleken dat delen daarvan asbesthoudend waren.
De vraag die het hof in hoger beroep moet beantwoorden is of toepassing van asbest of een asbesthoudend product in deze dakkapel redelijkerwijs te verwachten was. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend.
Uit de inhoud van het bouwkundig inspectierapport dat bij de aankoop van de woning van verdachte is opgemaakt, blijkt dat mogelijk asbesthoudend materiaal is aangetroffen in leidingen, kanalen en vinyl. In de passages van het rapport, die deel uitmaken van het dossier, staat niets over de mogelijkheid dat asbest zou zijn toegepast in de later aangebouwde dakkapel. Het hof ziet in genoemd rapport, anders dan de advocaat-generaal, daarom geen aanwijzingen dat (ook) de dakkapel naar redelijke verwachting asbest zou kunnen bevatten; eerder is de inhoud van het rapport daarvoor een contra-indicatie.
Het dossier biedt voor het overige evenmin steun aan de stelling dat redelijkerwijs te verwachten was dat de dakkapel mogelijk asbesthoudend was. Het argument van de advocaat-generaal dat per 1 januari 1994 krachtens het Asbestverwijderingsbesluit geen asbest meer gebruikt mocht worden – en daarvóór dus wel – draagt hier niet aan bij, omdat dit enkele feit op zichzelf van geen betekenis is voor de vraag of naar
redelijkeverwachting
in de onderhavige dakkapelasbest of een asbesthoudend product was toegepast. Het dossier bevat verder een e-mailbericht van de bouwer van de dakkapel die aan verdachte heeft laten weten dat het juist niet gebruikelijk is dat er asbest in de bovenbeplating of zijwangen van een dakkapel zit.
De argumentatie van de advocaat-generaal dat de woning van verdachte in 1966 is gebouwd, in een tijd dat veel asbest werd gebruikt en dat algemeen bekend is dat dakbeschot van woningen van asbest werd voorzien vanwege brandwerendheid in woningen, brengt het hof evenmin tot een ander oordeel. De in dit verband door haar aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad, [1] die ziet op specifieke bouwwerken met een agrarische bestemming (waarover het gerechtshof oordeelde dat er sprake is van een feit van algemene bekendheid dat in een dergelijk gebouw zich asbesthoudende materialen kunnen bevinden), geeft naar het oordeel van het hof geen steun aan de stelling dat dan ook sprake is van een feit van algemene bekendheid dat in een dakkapel als hier aan de orde zich naar redelijke verwachting asbesthoudende materialen kunnen bevinden. Ook overigens kan niet worden gesteld dat het een feit van algemene bekendheid is dat naar redelijke verwachting een tussen 1986 en 1992 gebouwde dakkapel asbest bevat.
Bij deze stand van zaken concludeert het hof dat niet kan worden vastgesteld dat de redelijke verwachting bestond dat in deze dakkapel asbest of een asbesthoudend product was toegepast.
Naar het oordeel van het hof is daarom niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is tenlastegelegd, zodat het hof het vonnis waarin de verdachte is vrijgesproken zal bevestigen.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige economische kamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P. Greve, mr. M. Lolkema en mr. A.C. Huisman, in tegenwoordigheid van
mr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
1 augustus 2024.
Mr. Greve en mr. Huisman zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.