Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het derde middel
BHV 20130800515) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:
3.Beoordeling van de middelen voor het overige
4.Beslissing
4 december 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte als feitelijke leidinggever van twee rechtspersonen werd veroordeeld voor milieuovertredingen. Het hof stelde vast dat verdachte als directeur en eindverantwoordelijke leiding gaf aan het verwijderen van asbesthoudende wandplaten uit kippenstallen zonder de vereiste voorzorgsmaatregelen te treffen. Tevens gaf hij leiding aan het in de bodem brengen van verontreinigd puin afkomstig van een afgebrande sauna, ondanks de redelijke verwachting dat dit tot bodemverontreiniging kon leiden.
Het hof baseerde zijn oordeel op diverse bewijsmiddelen, waaronder verklaringen van verdachte en bedrijfsleider, asbestinventarisatierapporten, en bodemonderzoeken. De Hoge Raad bevestigde dat het hof terecht had geoordeeld dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat de verboden gedragingen zouden plaatsvinden en dat hij naliet de noodzakelijke maatregelen te treffen.
De Hoge Raad verwierp ook de klacht dat het opzetvereiste zich zou moeten uitstrekken tot het bestanddeel dat de bodem verontreinigd kon worden. Volgens de Hoge Raad is het voldoende dat verdachte redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat bodemverontreiniging kon optreden, conform de wettelijke normering. Het beroep in cassatie werd derhalve verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling van verdachte als feitelijke leidinggever voor milieuovertredingen wordt bevestigd.